Translate

28 april 2026

uit "Vet Makkelijk" van Theo Thetter (2 mei 2026)

Recept voor zalm uit de ovenbraadzak (voor 2 á 3 personen)

Gereedschappen

Oven
Ovenschaal
Braadzak of Römertopf 
Mengkom
Vork
Theelepel
Eetlepel

Materialen

250 tot 375 gram bevroren zalmfilet
125 ml crème fresh
50 ml heet water
2 eetlepels dille of 1 eetlepel tijm
2 eetlepels peterselie
1 theelepel citroensap (hoeft van mij niet per se)
1 theelepel knoflookpoeder
2 theelepels kerriepoeder
1/2 theelepel zout

Montage

Roer alles (behalve de zalm en uiteraard ook niet de braadzak) in een kom met een vork door elkaar, totdat je een mooie gladde saus hebt.

Stop de bevroren zalm en de saus in de braadzak, verdeel de saus een beetje goed en leg de volle, afgesloten zak in een ovenschaal.

Dan middenin een op 180 graden voorverwarmde oven in 45 minuten laten garen en Kees is klaar.

Gaat goed samen met worteltjes en krieltjes of vegetarische nasi.

En als je nou niet van vis houdt, trek dan lekker een frikandel uit de muur. Da's ook herlik!

Eet smakelijk!




07 april 2026

uit "Vet Makkelijk" van Theo Thetter (18 april 2026)

Rijst met makreel (voor 2 á 3 personen)

Gereedschappen

Wokpan
Rijstpan
Snijplank
2 vorken
Spatel

Materialen

200 gram gerookte makreelfilet
200 gram witte, zilvervlies of basmati rijst
400 gram Thaise wokgroenten (met zo'n pepertje erin)
zout naar smaak

Montage

Kook de rijst volgens de beschrijving op de verpakking.

Pluk de makreelfilet op de snijplank met 2 vorken uit elkaar. Zorg dat je alle eventuele graatjes eruit haalt.

Wok de groenten volgens de beschrijving op de verpakking en voeg in de laatste twee minuten de makreel toe.

Voeg tot slot de rijst toe en warm dit nog even goed door. 

Dan schep je deze interculturele maaltijd op je bord en kan je ... 

Heerlijk Eten!
 

15 maart 2026

uit "Vet Makkelijk" van Theo Thetter (21 maart 2026)

Recept voor Carbonara di Theo (voor 4 personen/476 kcal. per persoon) 

Gereedschappen

Kookpan
Hapjespan
Snijplank
Snijmes
Roerlepel
Spaghettielepel
Theelepel
Weegschaal
Maatbeker
Vergiet 
 
Materialen

350 gram spaghetti (490 kcal) 
250 ml (half)volle melk (108 kcal) 
250 gram spekjes (600 kcal) 
250 gram champignons (60 kcal) 
20 gram fijn gesneden platte peterselie (5 kcal) 
150 gram geraspte pittige kaas (630 kcal) 
2 teentjes knoflook (8 kcal) 
1 theelepel zout (0 kcal)

Montage

Wrijf de champignons schoon en leg ze op de snijplank. 
 
Doe vervolgens ruim water in een kookpan met een flinke theelepel zout en breng dit aan de kook. Kook hierin de spaghetti volgens de aanwijzingen op de verpakking (meestal zo'n 11 minuten). 

Kieper de spekblokjes in een hapjespan zonder vet en bak deze op een hoge stand half bruin onder af en toe omscheppen.
Snij ondertussen de champignons en de knoflook en bak deze halverwege mee totdat alles mooi goudbruin is.
Snij de platte peterselie fijn en bak deze 1 á 2 minuten mee. (Dus niet te lang, want anders wordt het een slappe hap.)
 
Voeg tot slot de melk en de geraspte kaas toe, breng het aan de kook en laat het, onder af en toe roeren, op de laagst mogelijke stand heel zachtjes pruttelen tot het een mooi glad geheel is geworden. 
 
Giet de spaghetti af en schep de saus erdoor.
 
Eet smakelijk! 


21 februari 2026

uit "Vet Makkelijk" van Theo Thetter (7 maart 2026)

Recept voor de gehaktstaaf (4 stuks, 276 calorieën per staaf)

Gereedschappen

Ruime plastic kom
Rasp
Snijplank
Theelepel
Eetlepel
Een koelkast
Koekenpan
Olie en/of Bakboter

Materialen

300 gram vers hoh Gehakt
1 Ui middelgroot (gerapst)
1 Ei (rauw, zonder schaal)
1 eetlepel Ketjap Manis
1 theelepeltje Mosterd
½ theelepel Knoflookpoeder
½ theelepel Komijnpoeder
½ theelepel Korianderpoeder
½ theelepel Chilipoeder
1 theelepel Vleeskruiden (zonder zout)
½ theelepel (zwarte) Peperpoeder
½ theetlepel Zout
2 eetlepels Paneermeel (of 2 ernstig verkruimelde beschuiten)
1,5 eetlepel Water (uit de kraan)

Montage

Doe de geraspte ui samen met alle overige materialen in een ruime schaal en meng de hele zooi goed door elkaar. Dat kan met een lepel, een vork of lekker kneden met natgemaakte handen. Zet de schaal vervolgens minstens 15 minuten afgedekt in de koelkast. Een koude massa, is namelijk makkelijker te verwerken. Maar als je eigenwijs bent, ga je toch gewoon lekker gelijk verder. 

Maak je handen nat, zodat de rommel minder aan je handen blijft plakken, verdeel de massa in vier gelijke bollen en rol er per bol op een vochtige snijplank worstjes van ter grootte van een gemiddeld mannelijk geslachtsorgaan (12 tot 15 centimeter lang). Plat de kanten van de staven eventueel af (maak de staaf een beetje vierkant) zodat je ze straks makkelijker rondom bruin kan bakken. Als je vers gehakt hebt gebruikt, kan je de gehaktstaven nu ook invriezen en later, na maximaal 3 maanden, ontdooien om ze daarna te bakken. Vries je ze niet in, zet de snijplank dan met de staven afgedekt weer 15 minuten in de koelkast. Maar als je eigenwijs bent, tja, dan ga je gelijk verder. 

Doe een beetje olie en/of bakboter in een koekenpan en bak de staven op een hoge temperatuur snel rondom bruin. Braad vervolgens de staven op een middelmatige temperatuur nog minstens 15 minuten, totdat ze niet meer verend aanvoelen als je er met de platte kant van een vork (of lepel) voorzichtig op duwt.

Het zijn echt heerlijke gehaktstaven die passen bij iedere maaltijd, waarmee je van het bakvocht ook nog eens heerlijke jus kan maken.

Eet smakelijk!

uit "Vet Makkelijk" van Theo Thetter (21 februari 2026)

De snacktip van Theo!

Wat weinig mensen weten, is dat van alle snacks de frikandel, niet alleen de meest verkochte snack is van Nederland, maar ook de meest CO2-neutrale snack is van Nederland. Dat weten weinig mensen hè?

De frikandel is zelf CO2-neutraler dan een kaassoufflé of een vegaburger.

Maar de frikandel is daarenboven ook nog eens de meest veelzijdige snack! Je kan hem helemaal naar eigen inzicht aankleden. De frikandel speciaal is natuurlijk heel bekend, maar je kan er eindeloos mee variëren en experimenteren.

Eigenlijk smaakt er wel zo'n beetje alles bij, bij de frikandel. Dus hou de frikandel ook eens onder een chocoladefontein of besprenkel 'm met vruchtenhagel.

Zo maak je van iedere del een Miss Universe.

Eet smakelijk!

04 december 2025

Kerstgeest

Toen onder het rijden de motor plotseling afsloeg en ook de autolichten doofden, liet Gaby Luifer zijn blinkende oldtimer de berm in rollen en kwam tot stilstand. Het was ineens doodstil.
Een paar maal probeerde hij, onderwijl de goden verzoekend, het ding weer aan de praat te krijgen, maar als hij de sleutel omdraaide klonk er zelfs geen klik. Iets met de accu en het stroomcircuit waarschijnlijk. Hij pakte zijn mobiel om de ANWB te bellen. Geen ontvangst. Tuurlijk. Kwaad, vooral op zichzelf omdat hij zo slordig was met dat soort dingen als onderhoud, stapte hij uit en keek om zich heen. De goed geasfalteerde secundaire weg verdeelde als een donker ravijn, zover het oog reikte, het sombere
landschap in twee gelijke helften. Er was geen mens, geen huis, geen licht te zien. Daar stond hij dan, in de avondschemering, verlaten door de goden van de techniek.
“En nu maar bidden om een Samaritaan,” dacht Gaby.
Het was 24 december 2024.
 
Het werd snel koud in de auto: het vroor. Bovendien was er een harde wind komen opzetten, waardoor de stilte was verdwenen. Gaby keek op zijn horloge, maar het was te donker geworden om nog iets te kunnen zien. Hij pakte zijn mobiel en deed het lampje aan, maar nog voordat hij had kunnen kijken hoe laat het was, doofde het licht alweer. Leeg. Hij vloekte. Meteen schoot hem iets te binnen en hij stapte uit. De wind striemde in zijn gezicht. Snel opende Luifer de achterklep, rommelde wat in het gereedschapskoffertje en haalde er een plat rechthoekig voorwerp uit.
“Yes!"
Snel duwde hij de klep weer dicht en zat in no-time weer binnen. Hij rilde even, hield het platte voorwerp iets van zich af en verschoof met de duim de schakelaar. Een flauwe lichtbundel verlichte de wijzerplaat van zijn horloge.
Het was tien over zeven.

Ruim een half uur later was er nog steeds niemand voorbij gekomen. Luifer begon zich af te vragen of het misschien beter was om maar gewoon te gaan lopen. Hij moest bij een huis zien te komen of bij een dorp. En omdat hij niet precies wist waar hij zich bevond, leek het hem beter om dezelfde weg terug te lopen. Hij had maximaal een kwartier op deze weg gereden. Bij een snelheid van 80 kilometer per uur kon hij dus nooit meer dan 20 kilometer hebben afgelegd. Een wandeltocht naar de bewoonde wereld kon dus nooit meer dan vier uur duren. En waar in Nederland kan je nog vier uur recht voor je uit lopen zonder een mens te zien?
Resoluut stapte Gaby uit, sloot de auto af en ging op weg. Ondanks de wind, liep hij stevig door. Uiterlijk rond middernacht zou hij terug zijn in de stad.

Hoe meer Luifer er over na dacht, hoe onwerkelijker zijn situatie werd. Het leek wel of alles zo in scène was gezet. Neem de auto. Ja, het was een oudje, en ja, hij had al een half jaar geleden voor onderhoud naar de garage gemoeten, maar dit had hij nog nooit meegemaakt. En dan nu ineens, hier, op deze weg, die hij niet kende. Hij wist niet eens waar hij fout kon zijn gereden. Luifer keek nog eens goed om zich heen, maar zag behalve de weg nergens enig teken van beschaving. Achter de wolken kwam af en toe gelukkig een heldere maan tevoorschijn. Dan kon hij wat zien. Maar die striemende kou, die drong al snel door zijn modieuze kleding heen.
"Het lijkt verdomme wel zo'n overlevingstocht in de sneeuw," riep Luifer hardop.
En met dat hij uitgesproken had, zag hij kleine vlokjes sneeuw voorbij waaien.
“Godsamme…."
Al snel sneeuwde het harder. Binnen enkele minuten was alles wit. Een korte, harde windstoot stoof de sneeuw voor zijn voeten op. Gaby schrok ervan en even stond hij stil. Het begon nog harder te sneeuwen en harder te waaien. Voorover gebogen liep hij verder.

Met iedere stap die hij maakte, voelde hij zich steeds minder goed en maakte hij zich steeds meer en meer ongerust.
"Misschien zou een rustpauze me goed doen?” dacht hij. 
“Maar wat heb ik er aan als ze me morgen hier zo stijf als een plank aantreffen? Ik moet blijven lopen. Als ik ga zitten, is het met me gebeurd. Ik moet in beweging blijven, letterlijk lopen voor mijn leven.”
Maar de wind en de kou werden steeds scherper voelbaar.
"Dat moet ik vergeten. Daar moet ik niet bij stilstaan. Ik moet blijven lopen. Het kan
nooit lang meer duren. Nee, ik kijk nog niet op mijn horloge. Ik concentreer me op het
lopen."
Maar iedere volgende stap ging moeizamer. Al zijn spieren trokken tegelijk en met kleine elkaar snel opvolgende schokken samen. De kou werd steeds ondraaglijker.

Niet veel later merkte hij op dat hij zelfs niet meer klappertande. Luifer liep ook niet meer, maar schuifelde, zoals een oud versleten mensje zich door de kille gangen van het verzorgingshuis sleept. Alle hoop verloren.
Zijn spieren verstijfden langzaam maar zeker. Zijn neus deed pijn als hij er door ademde. Hij kreeg zijn lippen niet meer op elkaar. Hij probeerde wel, maar het ging niet meer. Nu moest er iets gebeuren, anders zou hij vallen, ondersneeuwen, doodvriezen.
"Het zal toch niet waar zijn dat ik hier nu sterven ga? Dat is toch krankjorum! Dat kan
toch niet!"
Maar de pijn hield aan, nam toe. Al zijn spieren verzuurden en verkrampten. Het was afgelopen. Hij kon geen pas meer maken, struikelde en viel op zijn knieën en opzij. Gaby voelde de pijn van de kou nu tot diep in zijn binnenste en dacht berustend:
"Dat heb ik weer. Doodvriezen, om eeuwig te branden in de hel.”
Even leek het of hij een licht zag naderen, maar het deed hem niets. En toen verloor hij zijn bewustzijn.

Hij schrok wakker en zat opeens rechtop op de bank. Zijn eigen bank, in zijn eigen kamer.
"Goddank," zuchtte hij en wreef met een hand door zijn gezicht.
Een droom. Alles was slechts een verduveld enge droom geweest. Een ijzingwekkende droom. Hij moest in slaap zijn gevallen.
Gaby stond op en liep naar het raam. Het was al donker, maar doordat de hele straat met een dikke laag sneeuw bedekt was, leek het alsof het licht was buiten en de maan een zonnige helderheid bezat. Onwillekeurig keek hij op de klok. Een schok ging door hem heen.
"Vijf voor twaalf? Zo laat al? Hoe heb ik deze Kerstavond dan doorgebracht? Ben ik in
slaap gevallen? Hoe laat was ik thuis?"
Hij kon het zich niet meer herinneren. Hij werd door angst overmand en rende door de hal naar de keuken. Er stonden geen glazen, geen borden. Niets. Vlug liep hij naar de kamer. Geen peukjes in de asbak, geen krant op de bank, geen flessen op tafel. Luifer snelde de hal in, naar de kapstok. Hij voelde in zijn jaszakken. Langzaam haalde hij een plat, rechthoekig voorwerp uit zijn zak. De zaklamp. Het licht….
Het was echt gebeurd. Het was allemaal echt gebeurd. De weg, de auto, de kou, het licht. Maar wie had hem dan naar huis gebracht? Wie had hem gevonden? Wie had hem hier neergelegd?

De klok in de kamer sloeg twaalf uur. Ineens zag Luifer een fel wit licht op de trap voor hem. Het deed gewoon pijn aan zijn ogen. En langzaam werd het licht vager en werden contouren zichtbaar. Een gestalte. Een cape. Een hoef. Een puntstaart. Twee hoorntjes?
Luid hoongelach pijnigde zijn ziel. Hier stond voor hem, de Duivel. Met een stem zoals Luifer zich die altijd had voorgesteld sprak de Gehoornde:
"Je mag Hem wel dankbaar zijn, dat juist vandaag Zijn Zoon is geboren. Iedere andere dag, en je was van Mij geweest.”
De harde, holle lach folterde Gaby's trommelvliezen.
"Vandaag was ik jouw Samaritaan, omdat, ja, ja, het ook voor mij een bijzondere dag is. Maar, kijk uit! Wees gewaarschuwd! Je bent een gemakkelijke prooi."
De Demon vouwde zijn handen en sprak spottend:
"Beter je leven. Wees een goed mens. Help anderen wanneer je maar kunt. En je zult mij nooit meer zien."
Maar toen brulde Hij dreigend:
"Blijf zoals je bent, dan zien wij elkaar snel weer. Bij mij thuis!"
Het lachte en rochelde en kwam hinkend dichterbij. De armen wijd uiteen, de handen met nagels lang en geel als klauwen gekromd. De fel lichtende groene ogen keken Luifer doordringend aan. Luifer stond als vastgenageld stil. Zag, hoe de Duivel dichterbij kwam, hem wilde grijpen. Toen het Monster vlak voor hem stond en hij de hete adem in zijn gezicht voelde en de scherpe geur van zwavel rook, zag hij in
een duizendste van een seconde de vele verkeerde besluiten en foute keuzes die hij in zijn leven had gemaakt en Luifer had spijt. Oprecht spijt.
"Stop," galmde een heldere basstem door de hal.
Satan stond meteen stil en keek bijna angstig omhoog.
"Kom nu. Je chocomel wordt koud, Lucifer."
Het Helse Wezen keek Luifer gnuivend aan en sprak sarcastisch:
"Sorry. De voorstelling is voorbij. Ik had het erg naar mijn zin met je, maar ik moet nu weg. Er is er één jarig. Hoera."
Een felle flits en een schelle sis en weg, leeg was de hal.

Ontsteld en verward wankelde Gaby naar de kamer. Hij voelde zich moe en leeg.
Hij was op, uitgeput. Bij de Kerstboom liet Luifer zich in een fauteuil vallen. Had hij dit nu echt gezien of ...?
Zijn oogleden werder zwaarder en zwaarder. Hij kon zich ineens niets meer van de avond herinneren. Alleen het gevoel was gebleven.
"Het moet anders," mompelde Gaby Luifer nog en viel toen in een diepe slaap, dicht bij het stalletje, met de herders en hun schaapjes, Maria en Jozef, de os en de ezel en het kindeke Jezus, schreiend van de kou.

Salvatore Cocco

30 oktober 2025

De fatbike

Omdat er een brief gepost moest worden - het was eigenlijk geen brief maar een beterschapskaart in een envelop - dacht ik even snel naar de brievenbus te lopen. Vroeger stond er op vrijwel iedere hoek van de straat wel één, maar tegenwoordig mag je blij zijn als er op loopafstand eentje in je wijk staat. Logisch hoor, want ook ik loop er normaal gesproken hooguit één keer per jaar naar toe om er een paar kerstkaarten in kwijt te raken. En dat is eerlijk gezegd ook maar half waar, want als we eens post hebben, geven we dat tijdens het winkelen meestal even snel af bij een Primera. Maar dit keer dus niet. Ik wist waar in onze wijk de brievenbus stond, ik had een brief, het was mild oktoberweer, dus ik kon wel even snel heen en weer lopen.

Het was stil op straat. Blijkbaar was iedereen ergens anders. Ik liep langs een plantsoen met wat speeltoestellen. Een soort binnentuin, met verschillende heuveltjes in het gras om het aanzicht op te leuken en bij regen het overtollige water snel af te kunnen voeren, zodat het er niet zo drassig werd. Er werd niet gespeeld, maar er crosten wel twee jongens van een jaar of 12, zittend op één fatbike, over het gras en de heuveltjes en ze hadden de grootste schik. Na ieder heuveltje wipten ze even van het zadel en dan giegelden ze hard, zoals jongens van die leeftijd nog vaak doen. Ze hadden er schik in!

Achter het keukenraam van een van de aanliggende woningen stond een wat oudere vrouw met een afkeurende blik in haar gelaat de jongens te bekijken. Nou ja, oudere vrouw, ze had mijn leeftijd, schat ik. 

Maar de jongens zagen haar niet. Zij crosten in hun ogen waarschijnlijk keihard over het de heuveltjes. Ze vielen niemand lastig en hielden zelfs rekening met mijn aanwezigheid door andere aanrijroutes te kiezen.

Wellicht juist aangemoedigd door mijn aanwezigheid opende de vrouw ineens het raam en beet de jongens toe: "Hee! Hou daar es mee op! Ga maar ergens anders heen. Jullie horen hier niet met die vetfiets!"

Ze keek mij triomfantelijk aan. De jongens stonden stil met hun fatbike en keken beteuterd in haar richting.

En in fractie van een seconde was ik zelf weer even die jongen van 12, die uit het schuurtje van een in de buurt bekende "dealer" voor 2 gulden en 50 cent een oud, krakkemikkig brommertje had gekocht om mee te crossen. Hoe de "dealer" precies aan die roestige, gammele brommertjes kwam, was niet helemaal duidelijk, maar het zal vast niet allemaal zuivere koffie zijn geweest. De jongens uit de buurt kochten er wel vaker zo'n aftands brommertje om mee te crossen. Dan sprokkelde je met een paar jongens wat geld bij elkaar en gooide je er voor een gulden aan twee taktbenzine in en dan gingen we naar het verlaten veldje waar de gemeente wat heuveltjes had opgeworpen om overheen te racen. Onderweg naar het crossveldje, crosten we met onze brommers natuurlijk ook wel door de straten. Veel te jong en geheel onverzekerd. Niemand die er wat van zei, want we waren, ondanks het lawaai dat de meeste brommers maakten, blijkbaar niemand tot last in die dagen. Maar als De Bie, de wijkagent, je te pakken kreeg, ja, dan was je het haasje. Dan zat je een woensdagmiddag op het bureau. Kreeg je een kinderachtige kleurplaat, die je heel netjes moest inkleuren. Als je echt heel netjes had gekleurd, mocht je naar huis, anders kreeg je er nog een en kon je overnieuw beginnen. Het ergste was echter, je was dan ook je brommer kwijt; die ging direct naar de schroothoop. Er was ook geen enkele ouder, die bij de politie ging klagen over deze onwettige gijzeling en onteigening. Dat was nu eenmaal het risico en dat was dan ook je eigen schuld. Maar dat maakte het juist ook wel weer extra spannend en wij hadden de grootste lol. Nee, er werd ons in die tijd door niemand een strobreed in de weg gelegd om echte jongens te zijn. Bijzonder toch, dat zo'n gedachte in slechts een fractie van een seconde door je heen kan gaan en het gevoel van toen weer helemaal kan terughalen.
 
Ik keek naar de vrouw. De behoefte om het voor de jongens op te nemen, was sterker dan de gedachte: "Niet mee bemoeien." Ik kende die jongens niet. Misschien waren het ook wel vervelende gastjes, maar ik zag dat er nu niet aan af. Dus ter ondersteuning van de jongens riep ik voorzichtig in de richting van vrouw: "Ach mevrouw, ze doen toch niemand kwaad," maar van deze bemoeienis was de dame in kwestie duidelijk niet gediend. 
"Oh, ben jij er zo een," sneerde ze.
"Ze ploegen me anders wel het hele gras om met dat lelijke ding."
Ik keek nog even naar het gras, maar daar was nauwelijks iets aan te zien.
"Ach, dat valt toch wel mee. Kijk dan. Bovendien groeit het vanzelf wel weer aan," zei ik vergoelijkend, maar dat werd niet gewaardeerd door de mevrouw.
"Waar bemoei jij je mee, met je domme hoofd! Jij hoort hier ook niet!" bitste ze.
"Hoe bedoelt u dat, mevrouw?" vroeg ik nu toch wat geïrriteerd.
"Jij woont hier niet eens, want ik ken jou niet!" zei ze rood aanlopend. Ze was nu echt kwaad.
De jongens begonnen het nu amusant te vinden en keken elkaar glimlachend aan. Wat was begonnen als een onnodige vermaning in hun richting, was nu ineens een ferme aanval op een niets vermoedende passant, ik.
"Ik ken u ook niet," zei ik, mijzelf van binnen tot kalmte manend, "en daar ben ik blij om, want u lijkt me nu niet direct de leukste thuis. Maar deze jongens doen helemaal niemand kwaad en u jaagt ze hier onterecht weg. Dus ja, dan zeg ik daar wat van."
Terwijl ik sprak probeerde ze er de hele tijd tussen te komen, maar ik gaf haar geen kans, bleef rustig doorspreken, maar had daardoor ook geen woord verstaan van wat ze had gezegd. Dat werd me pas duidelijk toen ik klaar was met mijn korte preek.
"Je bent een opruier, zo'n werkeloze smerige actievoerder, ga aan het werk en bemoei je met je eigen zaken!" En zo ratelde ze nog even door.
Meewarig keek ik de jongens aan.
"Misschien kunnen jullie beter ergens anders gaan crossen", zei ik rustig, "want tegen deze heks kunnen we niks beginnen."
"Ja, als zij thuis is, is ze altijd zo," zei de jongen die achterop zat. En hij duwde tegen zijn vriendje, die de hint meteen begreep en zachtjes wegreed.
"Dag meneer," riep de achterste jongen nog, terwijl hij zijn hand naar me opstak.
"Ze zijn weg hoor," riep ik naar de vrouw, "Je hebt deze kinderen vakkundig hun pleziertje afgenomen. Ben je nou trots?"
En terwijl ik mijn weg naar de brievenbus vervolgde wierp ze me nog wat verwensingen toe, maar ik liep, geheel tegen mijn natuur, stoïcijns door.

Bij de brievenbus aangekomen, deponeerde ik, nog wel wat opgefokt, de brief in de gleuf met de van toepassing zijnde postcodes en draaide me om om terug te lopen, tot ik me bedacht om even te checken wanneer de bus zou worden geleegd.
Vroeger kon je dat altijd gemakkelijk zien. Er zat zo'n draaischijf op die de postbeambte, na lediging, kon verdraaien, zodat je precies wist waar je aan toe was. Maar nu stond er een vaste tekst op, namelijk "deze bus wordt na 09:00 uur geleegd" en daarboven stond een verdraaibare tekst met in het venster "vrijdag". En het was vandaag inderdaad vrijdag en het was na 9 uur, namelijk half drie in de middag. Maar wat moest ik hier nu uit opmaken? Werd de bus ook op andere dagen na 9:00 uur geleegd of alleen op vrijdagen? En is die dan nu al geledigd en moet mijn brief nog een week op lediging wachten? Ja, de PTT is al lang de PTT niet meer, toch? Wat het ook betekende, ik kon er niks meer aan veranderen. De brief zat immers al in de bus.

Geïrriteerd door de verwarrende en onduidelijke informatie op de brievenbus liep ik dezelfde weg terug naar huis en kwam aldus weer langs het speelplantsoen waar de jongens met hun fatbike hadden gecrost. Ik zag dit keer niemand achter het raam van het huis waar de boze heks woonde. In een opwelling liep ik naar haar voordeur, drukte hard op de bel en rende zo snel ik kon weg, de hoek om en gluurde stiekem om het hoekje naar het huis. De deur ging open, de feeks stak haar hoofd naar buiten, keek naar links, keek naar rechts en smeet de deur vervolgens met kracht dicht.
Nahijgend van de korte, snelle sprint, maar opgetogen en voldaan, wandelde ik door naar huis en nam mij voor dat ik iedere keer als ik een brief ging posten ik bij haar zou gaan belletje lellen. Stomme muts!

Salvatore Cocco

13 januari 2024

Kliekjesdag


Het was tweede kerstdag tweeduizend drieëntwintig. Ik weet het nog zo goed, de agenda die was leeg. En dat was uitzonderlijk, want in de weken daaraan voorafgaand was het leven een aaneenschakeling van verplichtingen, gedoe en andere onverwachte ontwikkelingen geweest. Druk druk druk dus. Maar op die tweede kerstdag tweeduizend drieëntwintig stond er niets, maar dan ook helemaal niets in de agenda. Niemand zou komen, niemand zou nog even bellen en we hoefden ook nergens heen. We hoefden zelfs niet te koken, want van eerste kerstdag, toen we de hele familie op bezoek hadden, was er ruim voldoende over om onze magen mee te vullen. Tweede kerstdag, kliekjes dag. Heerlijk!

Ik kreeg bijkans een hartverzakking toen 's ochtends, net even na tienen, de deurbel schalde. Ik was nog gekleed in een badjas met daaronder de beperkte kleding waarin ik de nacht had doorgebracht en ook mijn haar stond nog in de slaapstand, terwijl mijn vaste huisgenote in de badkamer net was begonnen de vorige dag en nacht van zich af te wassen.
Een hartgrondig vloek ontsnapte aan mijn lippen. Wat nu dan toch weer! Voorzichtig opende ik de deur naar de hal. Achter het matglas van de voordeur zag ik twee kleine, donkere gestalten. Wie kunnen dat nou zijn?
Boven, in de badkamer, zo hoorde ik later, probeerde mijn vaste huisgenote, geschrokken, om door het badkamerraam in een hoek over het afdakje boven onze deur heen te kijken, hopend zo een glimp op te vangen van de onverlaten die bij ons hadden durven aanbellen, maar dat lukte natuurlijk niet.  Dus staakte zij haar geschrob en luisterde ingespannen of zij op deze wijze kon vaststellen wie deze snoodaards waren. Maar ook dat lukte niet goed, zo bleek later.
Voorzichtig opende ik de voordeur deur en keek door een kier om het hoekje. Ik keek recht in het gezicht van een vrolijk ogende jongeman met een badge aan een koordje om zijn nek en hij zei, naar mij toe buigend: "Sorry dat ik stoor, maar in deze moeilijke tij...."
Ik gaf hem niet de gelegenheid om zijn zin af te maken. Voor mij was het nog veel té vroeg om een fatsoenlijk gesprek te beginnen met een vreemde, laat staan dat het moest gaan over een onderwerp dat ik niet had uitgekozen.
"Welke gek belt er nou op tweede kerstdag om 10 uur bij wildvreemde mensen aan?"
Mijn vraag was natuurlijk retorisch bedoeld, maar de jongeman antwoordde opgewekt:
"Ik! Want ik zou u graag even spreken," ging de jongeman onverstoord verder, "over de mensen die in deze zware tijden amper het hoofd boven water kunnen houden."
"Maar dat gaan wij niet doen!" zei ik, niet meteen heel bozig, maar wel ... gedecideerd.
"Voor alles is een tijd en plek," ging ik verder, "en dit is noch de tijd noch de plek om het daarover met mij te hebben, dus tot ziens!"
Ik maakte nog een soort van vriendelijk knikje en aanstalten om de deur te sluiten.
"Maar Kerst is toch júíst de tijd?" wierp de jongeman nog snel naar binnen.
Ik opende de deur weer iets verder. Op de een of andere manier zat er in mijn systeem blijkbaar iets waardoor ik het niet netjes vond om de deur nu zomaar ineens dicht te doen. Een soort ongepast fatsoen. Maar van binnen kookte ik.
"Misschien begreep u mij niet, maar ik - wil - niet - met - u - praten!"
"Maar meneer...."
"Niks meneer", zei ik zwaar geïrriteerd door zijn vasthoudendheid, "Ik geef net aan dat ik geen zin heb in een gesprek. Voor mij betekent kerst vooral rust en tijd voor jezelf. Dus donderop met je praatjes! Tot ziens!" en ik gooide de deur nu met kracht dicht. Hoe krachtig? Nou, als de jongeman, in een opwelling of aangeleerd, op het laatste moment had besloten zijn hand of voet tussen de deur te steken, had deze er op chirurgische wijze weer aangezet moeten worden.

Mopperend liep ik de kamer weer in, me realiserend dat ik de tweede gestalte, die ik door het matglas wel had opgemerkt, niet eens had gezien, toen wederom de deurbel schalde. Het zal toch niet waar zijn! Hij zal toch niet gewoon nóg een keer aangebeld hebben. De brutaliteit!
Ik draaide me om en trok woest de deur open.
Daar stond een jongedame met een boek ik haar handen. De tweede gestalte! Ik herpakte me enigszins en zei niet geheel onbeheerst: "En wie bent u dan wel?"
"Ik ben Annelies Jansen en zou graag...."
"Wat het ook is dat je graag doet," zei ik haar scherp onderbrekend, "je zal het zonder mij moeten doen. Zijn jullie niet goed bij je hoofd of zo? Precies zoals ik ook al tegen de naast je dreutelende collega daar heb gezegd, dat je wil praten, prima, maar niet met mij! Dus nogmaals en voor de laatste keer, tot ziens!" en wederom gooide ik de deur voor hun neus dicht om mijn woorden kracht bij te zetten.
Zonder ook maar enig moment te aarzelen opende ik de meterkast en zette de schakelaar van de deurbel op uit. Die zou vandaag niet meer gaan.

Ik was echter nog niet in de kamer of daar werd op de deur geklopt, zacht geklopt, hard geklopt.
Weer liep ik naar de deur, mezelf bezwerend toch vooral rustig te blijven nu, en deed open. En ja hoor, daar stond de jongedame weer, met naast haar de jongeman. Hij keek een stuk minder vrolijk. Zij begon meteen te praten. Haar stem klonk geïrriteerd en hooghartig.
"Dit kan dus niet wat u doet?"
"Nou, dat kan dus wel", sprak ik rustig, "want ik heb het net gedaan. Dus het kan."
Ze wilde meteen reageren, maar ik was sneller.
"Ik zit rustig in de kamer, jullie bellen ongevraagd bij mij aan, ik zeg dat ik geen interesse heb, maar jullie beiden drijven door en dringen zich aan mij op. Ik heb daar helemaal geen zin in, dus ik sluit nu rustig de deur en als u nog eens belt of klopt, klaag ik u aan wegens stalken en huisvredebreuk. Ik wil u niet! Tot ziens! Of nee, niet tot ziens, maar tot nooit weer ziens! Duidelijk? Fijn!"
Ze haalde adem om nog wat te zeggen, maar ik sloot de deur en ging met een sterk verhoogde hartslag, dat dan weer wel, op de bank zitten om tot rust te komen.

"Is het klaar?" hoorde ik van boven.
"Ja, dat denk ik wel," riep ik terug.
"Wat waren het het voor mensen?" werd er van boven gevraagd.
"Geen idee. Een jongeman en dito vrouw."
"Wat kwamen ze doen?"
"Geen idee."
"Waren het Jehova Getuigen?"
"Geen idee, zeg ik toch!"
Ik stond op en ging onderaan de trap staan om zo het "gesprek" beter te kunnen voeren.
"Heb je dat niet gevraagd?"
"Nee."
"Oh, ik zou het wel hebben gevraagd."
"Dan had je naar beneden moeten rennen om de deur open te doen."
"Maar jij weet dus niet wat ze kwamen doen?"
"Nee. Ja, praten, maar daar had ik dus geen zin in."
"Maar je weet niet waarover?"
"Nee! Of ze nou een geloof, een verzekering, een energiecontract, een krant of voor mijn part een goed doel komen aansmeren, ik wil die kliek niet aan mijn deur en al helemaal niet op tweede kerstdag. Over en uit!"
"Nou, ik had het anders wel willen weten."
"Nou, ik niet!" riep ik naar boven.
"Maar ik begrijp ze eigenlijk wel."
"Jij begrijpt ze wel," verzuchtte ik.
"Ja, want op tweede kerstdag zijn toch veel mensen thuis en doordeweeks bellen ze vaak voor niks aan."
"Daarom heb ik liever dat ze doordeweeks hun "belangrijke" werk doen, net als alle andere normale mensen."
"Tja, en dan komen ze rond etenstijd, da's ook niet fijn. Bovendien werkt lang niet iedereen alleen maar doordeweeks. Dat slaat dus nergens op."
"Mmm. Dat is ook weer zo. Nou eh, ik ga koffie nemen hoor," zei ik om een eind te maken aan het gesprek.
"Ja, dan ga ik door met me op te kalefateren."
"Fijn!"

Ik liep naar de keuken en zag door het keukenraam de twee jonge mensen aan de overkant van de straat lopen. Ze waren druk met elkaar in gesprek. Waar zouden ze het over hebben? En ergens had ik spijt dat ik me er zo door had laten opfokken. Het was toch allemaal veel simpeler geweest, als ik even een minuutje had geluisterd en vervolgens het stel vriendelijk had afgepoeierd. Maar nee, ik moest weer eens ontploffen. En dat op tweede kerstdag tweeduizend drieëntwintig, een dag van vrede op aarde. Kliekjesdag.

 

30 augustus 2023

Elk nadeel heb ze voordeel

Vier jaren waren voorbij gegaan. Door Corona en ook gewoon eens een keer wat anders was het er niet van gekomen. Maar in de zomer van 2023 vlogen we, zonder een spoor van schaamte, naar het fijne, Griekse eiland Zakynthos, met die vriendelijke mensen, Banana Beach en bovenal de heerlijke Griekse keuken.

Toch heeft Griekenland ook een minpunt. Ofschoon de Oude Grieken als eerste in huizen riolering hadden, hebben ze er sinds die tijd blijkbaar nooit meer wat aan veranderd. Terwijl je thuis in West-Europa van alles door de WC kunt trekken, kan de Griekse riolering zelfs nog geen slap velletje WC-papier aan. Het chemisch toilet in je caravan kan nog meer verstouwen. In ieder Grieks toilet word je daarom gewaarschuwd er vooral géén papier in te werpen. Het plaatje dat er vaak bij staat, laat niets aan de verbeelding over. Je ziet een hand die een velletje papier het toilet in smasht. En daar staat dan een dik rood kruis door. Ze willen het echt niet hebben! Er gaat nog net niet iemand met je mee om het te controleren.
Helaas is de macht der gewoonte vaak sterker dan die Griekse bedreiging. Zonder erg ligt het papier er alweer in. Ja, en ik ga het er ook niet uitvissen. Dus als Zakynthos deze zomer in het nieuws komt omdat het hele eiland kampt met dichtgeslibde rioleringen, dan weet je waar het van komt.

Ik ga op reis, niet om zogenaamd cultuur te snuiven, maar om uit te rusten. Ik werk, al zeg ik het zelf, het hele jaar best hard, dus kies ik graag voor rust, gemak en lekker eten. En omdat ik niet alleen reis, wordt het in ieder geval een paar dagen zon, zee, strand. Overdag lekker lui op een strandbedje en 's avond lekker fruitig uit eten en cocktails lurken. Prima vol te houden, voor een week.

Op zich heb ik een hekel aan het strand, of specifieker, het zand. Ik word er niet vrolijk van. Je bent er nog maar net, of alles zit al weer onder. Het lijkt wel of zand een levend wezen is en precies weet wie er het meest een hekel aan heeft. Die wordt namelijk als eerste besprongen. Hoe het kan, kan het, maar broekzakken en kuiten zitten al vol als ik nog maar net uit de bus ben gestapt. Vreselijk!

Het strand is een soort levend prentenboek van verval. Met slim gekozen kleding kan men veel verdoezelen, maar daar op het strand zie je de schokkende feiten.
Je ziet de jonge mannen en vrouwen, nog strak in het vel. En ja, ook ik zat ooit strak in mijn vel, al was ik me er toen niet zo van bewust. Maar nu, vele tientallen jaren later, heb ik een buik, een slappe extra onderkin, haar op plekken waar ik het niet hebben wil en een ruime cup A. Zelfs mijn knieën zijn volgens mij een stuk naar beneden gezakt.
Dat hele proces van verval zie je op het strand overal om je heen.
Bij ouders met jonge kinderen zie je al de eerste tekenen van afbraak. Ze hebben wallen onder hun ogen en van die melancholieke "als de kinderen het maar leuk hebben" blikken op hun gezicht.
Ouders met tieners willen nog weleens graag doen alsof ze nog goed met hun kroost mee kunnen komen, maar hun inmiddels ruim zittende vel en het besmuikt gapen verraad ze. Het bed is aantrekkelijker dan het café.
De ouders met uitwonende kinderen, lijken weer even op te leven. Ze gaan soms heftig sporten, maar hun lichamen herstellen zich nooit helemaal. Het buikje wordt wel wat minder, maar gaat nooit meer helemaal weg. De meeste mensen hebben simpelweg niet genoeg vrije tijd om iedere dag in de sportschool aan de gewichten te hangen.
En dan de grootouders met jonge kleinkinderen. Daar is geen redden meer aan. Ze zijn nog best kwiek en fief voor hun leeftijd - het kleinkind houdt hen jong - maar alles moet twee maten groter worden gekocht en als ze lopen houden ze hun buik in.
De grootouders met tiener kleinkinderen of twens, die interesseert het allemaal geen fluit meer. Alles hangt en drilt en ofschoon hun benen steviger zijn dan ooit, over het strand lopen blijkt een ware beproeving. Met hun buiken vooruit en het haar in de war, ploegen ze zich met zichtbare moeite door het mulle zand. Traag, trager, traagst.
Nee, zo'n bezoekje aan het strand is geen pretje. Je ziet in feite het hele leven van vergankelijkheid aan je voorbijtrekken aan de lijven van de strandgangers. En als je geen kinderen of kleinkinderen hebt, denk dan niet: "Daar kom ik effe goed weg!". Het ligt namelijk niet aan de kinderen of kleinkinderen. Nee, de leeftijd is in hoge mate bepalend voor het beeld dat je lijf laat zien. Mijn tip is dan ook: mijdt het strand zoveel mogelijk; je wordt er om meerdere redenen niet vrolijk van.

Bij Magik the Club kan je heerlijk cocktails nuttigen. De prijzen zijn niet meer vooroorlogs, zoals 5 jaar geleden, maar ze draaien er leuke muziek van alle leeftijden. Ja, er wordt goed gemixt, zowel door de DJ, als door de bartender. Mojito, Margarita, pornstar martini,tequila sunrise; het is allemaal heel goed binnen te houden, mits gebruikt met mate uiteraard. En dat laatste wordt, naarmate de avond vordert, steeds lastiger. Gelukkig zit Magik pal tegenover ons appartement. Twee keer struikelen en we zijn er. De sleutel in het slot prutsen is nog de grootste uitdaging. Jamas!

Groot was de teleurstelling toen we de tweede keer bij Magik the Club kwamen. Ik weet niet precies waarom er een DJ stond, want hij draaide precies dezelfde muziek in precies dezelfde volgorde als de keer ervoor. Ik vermoed dat het gewoon een vaste playlist is. Helaas waren de cocktails juist niet precies hetzelfde. In de mojito ontbrak de bruine rietsuiker en de Margarita was veel te sterk. Al na één drankje kon ik de weg naar het appartement niet meer vinden.

Maar de aanhouder wint, zeg ik alleen als er een reden toe is. Want de keren daarna was het weer parimas!

Over vakanties wordt zeer verschillend gedacht.
Voor mij is vakantie een aaneengesloten periode van tenminste 5 werkdagen vrij waarin ik niets moet. Juist daardoor is er van alles mogelijk. En thuis heb je ontegenzeglijk de meeste opties en de beste keuzes. Dus drie weken thuis is wat mij betreft een prima vakantie.
Voor de meeste mensen staat vakantie echter gelijk aan het maken van een reis. En hoe verder weg, hoe beter, lijkt het wel. Sommigen gaan zelfs zover weg, dat ze feitelijk alweer op de terugweg zijn.
Maar reizen, lieve mensen, is geen vakantie. Reizen is afzien en iedereen die anders beweert, dat de vakantie al begint zodra ze in de auto stappen, die liegt. Reizen is ruk, welk vervoermiddel je ook kiest. Regen en wind, files, wachten, andere perrons, gewijzigde vertrektijden, wisselende gates, nog meer wachten, luidruchtige, stinkende en chagrijnige medepassagiers, even wachten nog, een bus zonder airco, onvolledige reisinfo en geduld, want we moeten nog even wachten. In Vught heeft Taghi het nog beter.

Mijn reisgenote had een strandjurkje bij zich uit de vorige eeuw. Maar ze vond 'm zó leuk, dat ze er geen afstand van kon doen. Maar 4 jaar doelloos in de kast hangen had het kledingstuk geen goed gedaan. De gaten vielen er in. Het uit een scheepswrak opgedoken Texels Jurkje uit de Gouden Eeuw verkeerde in betere staat. Er moest dus een nieuwe komen en Argassi was de plek waar die gevonden moest worden. Dus ik mee. Wat moet je anders? Je hebt vakantie en dan doe je allemaal dingen die je thuis voor nog goud zou doen dus, hoppa, de stad in.
Nou, je begrijpt, het was een uitdaging. Of de print was niet goed, of de stof was niet goed, of de mouwtjes te lang, of het jurkje te kort en ze wilde geen spaghettibandjes (whatever that may be) en ze wilde er ook niet uitzien als Marian uit "B&B Vol Liefde", dus geen gehaakte toestanden en roesjes en kant. Ja, het luistert allemaal heel nauw bij een kledingstuk dat je bij aankomst op het strand gelijk weer uittrekt. Even leek het erop dat we niet zouden slagen, totdat we een winkeltje inliepen dat werd gerund door een kleine Indiër met een lange Chriet Titulaer-baard. Ik hoop dat deze omschrijving een beetje een beeld geeft, want ja, een bruine kabouter kan je natuurlijk niet meer zeggen.
Enfin, toen we even stilstonden bij een jurkje dat in de smaak leek te vallen, kwam hij aangerend.
"It's berry berry good quality, Yes. Beatifull!" zei hij meteen en ik zag aan het gezicht van Linda dat ze dacht: "Ga toch weg man! Laat me met rust!"
"Here, help the lady," zei hij en drukte mij een stok met een haak in de handen om jurkjes van de bovenste plank af te halen. Maar zelfs met mijn schamele 1,78 meter kon ik er zonder stok prima bij.
Linda pakte nog een ander jurkje.
"I have these also in blue, greenish and red, you see." En hij hield de jurkjes in de drie kleuren voor haar neus.
"Ik vind deze wel leuk," zei Linda tegen mij. En het was ook inderdaad een leuk jurkje.
"Es ist sehr schön dieses kleid ja! Und billig," zei hij ineens in het Duits, want ja, hij had ons Nederlands horen praten. Het jurkje was, waarschijnlijk geheel volgens het Black Friday-principe, volgens hem afgeprijsd van €25,95 naar slechts €13,95. Het was natuurlijk in een ver Aziatisch land door vaardige kinderhandjes in elkaar gezet, anders kon het nooit uit voor die prijs.
Linda twijfelde nog. Ze kon niet kiezen welke kleur of print ze zou nemen. Er waren er twee die ze echt leuk vond.
"I'll make you berry good price. 22 euro for both dresses, special for you yes?"
"Nou, voor het geld hoef je het niet te laten," adviseerde ik.
"Berry good choice, both are good quality for a berry good price. Women always takes two," zei de kleine verkoper.

Linda nam ze inderdaad alle twee en nooit eerder heb je een verkoper zo blij gezien. Tijdens het opvouwen, inpakken en afrekenen vertelde hij honderd uit. Dat het seizoen ten einde liep, maar in oktober nog een paar rijke mensen kwamen, maar dan was het wel klaar en ging de winkel dicht en dat hij dan naar Duitsland of Scandinavië ging om nog wat extra geld te verdienen, want zijn vrouw wilde niet werken en hij had eerder wel olijven geplukt, maar daar was hij een keer lelijk bij ten val gekomen en had zijn rug gebroken gehad, maar nu had hij alleen nog last van zijn knie en van zijn schouder, dus kon hij moeilijk de bonnetjes uit de kassa afscheuren, zo demonstreerde hij, en hij verkocht ook leuke koelkastmagneten voor jezelf of voor je vrienden thuis, ach wat, hij deed er gratis één bij voor ons, omdat we zo aardig waren en uit Holland kwamen, goedenavond!
"And tell your friends you bought it here," riep hij ons na en zwaaide alsof ie vrienden uitwuifde. Dus bij deze.

We zeggen weleens wat van vakantievierende Engelsen, maar eerlijk, Italianen kunnen er ook wat van! Die zijn niet alleen luidruchtig, maar ook druk druk druk. Het lijkt wel of ze voortdurend ruzie met elkaar hebben. En ze zijn nog gierig ook. Nemen op het strand twee bedjes voor 10 personen. En is er een vrije vierkante meter in de buurt, moet er gevoetbald worden. En daarbij wordt de eigen balvaardigheid telkens weer schromelijk overschat, waardoor de uit koers geraakte bal menig nietsvermoedende zonaanbidder een rolberoerte bezorgd.
Italianen zijn echter niet gierig als het op eten aankomt. Daar geven ze per dag gerust een weeksalaris aan uit. Er wordt niet gevraagd wat je hebben wil, nee, de patriarch (toch vaak een vrouw) bestelt gewoon van alles wat en dat eten ze dan, met z'n tienen zittend op de twee gehuurde bedjes, samen op. Niet met stille toewijding, maar wederom met veel drama en wilde gebaren. Tja, en dan voel ik toch ineens weer enige verwantschap.

Hoe langer de vakantie duurde, hoe moeier dat ik werd. Dankzij gunstige vliegtijden waren we 's middags uitgerust in Zakynthos aangekomen en het werd meteen feest tot diep in de nacht. Maar na drie nachten slecht slapen, trok ik dat gewoon niet meer.  Ik zat gapend en knikkebollend aan het dessert. Dat het een dubbele espresso was, mocht niet baten. Half elf wilde ik al naar bed. Ik was moe. En ik deed de hele dag niks! Dat bewijst maar weer eens, dat niks doen, tot niks leidt. Laat dat een waarschuwing zijn voor iedereen die een carrière als beroepswerkeloze overweegt.

Niet in mijn eigen bed slapen en niet in mijn eigen douche douchen zijn voor mij toch wel zaken die de vakantievreugde dempen. Liggend op bed voel je de binnenvering in je rug prikken en als je een beetje wild omdraait, ligt je partner naast het bed op de grond. De douche is krap en als je bukt heb je meteen het douchegordijn in je naad hangen. Ja, zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Eigen haard, is goud waard. Oost, west, thuis best. En dat geldt ook voor noord en zuid. Wanneer lukt het nou toch eindelijk eens om mensen te teleporteren? Zoals in Star Trek. Het ene moment zit je aan een biertje op de Markt in Huissen en, biezzzzzz, je staat op het Sint Pieterplein in Rome. En als je genoeg hebt gezien, keer je, biezzzzzz, terug naar je eigen huis en slaap je gewoon lekker in je eigen bed. Lijkt me ook beter voor het milieu dan al dat heen en weer gevlieg.
Oh, als dat toch eens kon, dan zou ik de wereld wel met eigen ogen willen zien. Nooit meer hoeven reizen, maar je gewoon door Scotty laten up beamen.

We waren nog maar net gearriveerd of het ging al mis. Het appartement was prima. De frisse kleurtjes op de wanden en een donkerbruin schot achter de bedden gaven het geheel een moderne uitstraling, tenminste als we nog in jaren '70 van de vorige eeuw hadden geleefd.
Maar het was, geheel tegen de verwachting in, wel erg schoon, zoals zou blijken.
Nou goed, we waren dus gearriveerd en gingen wat boodschappen doen; vooral veel water en wat brood en eieren om te bakken voor het ontbijt. En spek natuurlijk. En melk. En sinaasappelsap. En koffie en thee. En wat te snaaien. En bier. En rosé. Kortom, een koelkast vol. En tzatzikikruiden op bestelling vanuit Holland. Met drie volle plastic tassen en een pak met 6 grote flessen water kwamen we "thuis". Dus ik zet de tassen op het aanrecht en nog geen seconde later schuift een van de tassen van het aanrecht af. Ik zie 'm gaan, maar kon er niks meer aan doen. Al tijdens de val zag ik het. De eieren! En flats, daar stortte het geheel op de plavuizen. Het plastic treetje flipte open en eiwit en eigeel liep over de vloer.
Ik herhaalde het drieletterige woord dat duidt op het vrouwelijke geslachtsorgaan meerdere malen met kracht. De rommel lag mooi verdeeld over de keukenvloer.
Met wc-papier en zuchtend heb ik alles opgeveegd. Wonderbaarlijk genoeg, waren er slechts twee eieren gebroken. De rest deed het nog gewoon. En nog een wonder, het wc-papier bleef wit. Ja, het werd geel van het eigeel, maar het werd niet zwart. De vloer bleek kraakhelder schoon. Jammer dus dat we onze eitjes erop stuk hadden geslagen.

Die eerste avond, na een hapje en een drankje, en nog een drankje en ach doe er nog maar één, en nog ééntje dan, kwamen we "thuis". En daar stootte ik mijn blote scheenbeen tot bloedens toe ongenadig hard tegen de hardhouten punt van het lage bed. Dus hup, weer wc-papier gepakt, want met zo'n bloederig been kruip je niet tussen de witte lakens. Maar, hoe zorg je ervoor dat het papier een beetje op de plek blijft zitten? We hadden onze verbandkist niet meegenomen. Maar Linda neemt altijd een eindje touw mee om eventueel te spannen om handdoeken te drogen te hangen. Dus het been in wc-papier gewikkeld, een rol touw eromheen gedraaid en dichtgeknoopt en in bed gekropen. Er zijn door mijn liefhebbende echtgenote beelden van gemaakt voor het nageslacht.
De andere dag zat, ondanks mijn draaikonterij, alles nog keurig op zijn plek. Toen ik het er voorzichtig af had gehaald, moesten we beiden lachen. De bloedende wond was in één nacht geslonken tot een klein korstje. Weer een wonder!

Als moderne reizigers besloten wij geen milieuvervuilende auto te huren - we hadden immers ook al gevlogen - maar gebruik te maken van het openbaar vervoer op Zakynthos. Dus zaten wij keurig op tijd bij het bushokje op de bus naar Zakynthos te wachten. Let op: de tweede Zakynthos is de hoofdstad van Zakynthos. Ook wel Zante City genoemd of kortweg Zante. Beetje verwarrend, maar dat zijn Utrecht en Groningen ook, dus niet zeuren nou.
Het was die nacht nauwelijks afgekoeld en om 10 over half 11 in de ochtend was het al ruim 30 graden. Maar wij zaten in de schaduw in het bushokje. Te wachten. Te wachten op de bus die rond 10 voor 11 zou voorrijden. En we waren niet alleen, er zaten er meer.
Zante City ligt zo'n 3 kilometer verderop. Er gaat één lange rechte weg naartoe. Nou niet recht, het is een kronkelweg, maar ik bedoel dat er verder geen afsplitsingen zijn. Met de bus is het een ritje van 10 minuten. Niet te missen.
Om 11 uur werden we wat onrustig. Er was nog geen bus te bekennen. Op zich niet zo verwonderlijk. In Griekenland zijn bustijden slechts een indicatie van het tijdstip waarop er een bus aanwezig zou kunnen zijn. Net als verkeersregels trouwens. Dat zijn geen wetten, dat zijn slechts suggesties. Maar goed, 10 over 11 was er nóg geen bus. De Engelse familie die naast ons zat, stond op en maakte aanstalten om te gaan. In onvervalst Engels zei ik tegen de mevrouw dat de bus waarschijnlijk niet zou komen, maar dat de volgende om 11:45 uur gepland stond. Zij vertelde ons toen dat ze vandaag waarschijnlijk een alternatief schema hanteerden in verband met een of ander feest. Hoe laat de bus vandaag zou komen, witsen ze niet, maar waarschijnlijk pas laat in middag. En daar gingen ze, de Engelsen.
Linda en ik keken elkaar aan. Gaan we terug of gaan we die 3 kilometer te voet afleggen. Met een half uurtje zouden we dan toch ook in Zante zijn. Dus, zo gezegd, zo gedaan.
Nu moet je weten dat de weg naar Zante een smalle, doch drukke doorgaande weg is waar geen voetpad langs loopt. Bovendien scheen de hele weg de zon precies op onze rug en er stond geen zuchtje wind. Gekkenwerk!
Met gevaar voor eigen leven hebben we de route afgelegd, in een alles verzengende hitte van inmiddels 38 graden Celsius, bij een luchtvochtigheid van 83%. Het beklimmen van de Himalaya is daarbij vergeleken een wandeling in het park.
Een kleine 40 minuten later ploften we in Zante neer bij een cafeetje dat op de hoek van de haven zat. Daar in dat kleine cafe aan de haven was schaduw en er waaide een heerlijk verkoelende wind. Daar wel. We bestelden een cola die nog nooit zo lekker gesmaakt heeft. En toen we weer langzaam bijkwamen en tot spreken in staat waren, begonnen de klokken van een tegenovergelegen kerkje met een immens kabaal een kwartier lang te luiden. We hebben gezwegen. Maar we waren in Zante!
Ja, we waren in Zante. Maar we moesten ook nog terug. Dus na wat rondwandelen en pannenkoeken te hebben gegeten - naar de Chinees wil ze niet, maar pannenkoeken in Griekenland in natuurlijk heel normaal, omdat ze crêpes heten; ik had trouwens een pannenkoek calzone, een dubbelgevouwen pannenkoek gevuld met spek, kaas, friet én mayonaise, en ja, je leest het goed - gingen we op zoek naar het nieuwe busstation. Google Maps zou ons er binnen 5 minuten naar toe dirigeren. Maar we liepen natuurlijk toch nog verkeerd waardoor we als prettige bijvangst ook nog de traditionele kleine huisjes van Zante zagen. Het meest opvallende daaraan was het ontbreken van ramen en de kleine smalle deuren waar je met goed fatsoen nog geen campingvaatwasser door naar binnen krijgt.
Maar uiteindelijk bereikten we het mooie nieuwe busstation waar geen enkele klok gelijk liep. Wat dat betreft zijn Grieken net Amerikanen. Ze bouwen wel iets, maar onderhouden het niet. Zo jammer. Kijk maar naar die Acropolis in Athene; één grote bouwval!
Bus nummer 35 zou ons over een half uur naar Argassi brengen. Dat vonden we prima. Als we een uur hadden moeten wachten, waren we met een taxi gegaan, hadden we afgesproken. Maar met een half uurtje wachten en 10 minuten rijden, zo concludeerden we, waren we net zo snel terug als lopend heen. Prima!
En jawel hoor, bus 35 kwam keurig op tijd aan. Maar nooit gaat reizen zonder problemen, dat zei ik toch?
Argassi? Argassi? Nee, volgens de chauffeur ging deze bus niet naar Argassi. Deze bus ging naar Laganas, Sodom en Gomorra. Maar wij wilden niet naar Sodom en Gomorra en bij de informatie hadden wij te horen gekregen dat bus 35 toch echt naar Argassi ging. Hij, de chauffeur stiefelde naar binnen. Even later kwam hij chagrijnig terug. Wij hadden gelijk. Hij ging ook naar Argassi. Zondagsrooster. Dus wij stapten in, en met dat hij wegreed, wisten we het. Hij zou Argassi als laatste aandoen. En inderdaad, na vijf kwartier schudden en draaien konden we eindelijk uitstappen. Wel pal voor ons hotel. Dat dan weer wel. Maar goed, voor slechts €1,60 p.p. hadden we wel het hele eiland gezien. Bij mij is het glas altijd halfvol. Dus.

Het valt je misschien op  dat:
1) Ik vertel het verhaal niet chronologisch, maar non-lineair. Dit naar voorbeeld van de veelgeprezen films van Chris Nolan. Gewoon artistiek, fijn alles door elkaar. Of anders gezegd: zoek 't maar uit.
2) Het lijkt er misschien op, dat ik een vreselijke vakantie heb gehad, maar niets is minder waar. Het was heerlijk! Voor een verhaal pak ik echter graag kleine, onbeduidende dingetjes en die leg ik onder een electronenmicroscoop. Wat ik dan zie, dik ik dan nog eens flink aan en schrijf het op. Vandaar.

Om al de toeristen te voeden, zijn er bijzonder veel ταβέρνες op het eiland met namen als Zorba's, Dionysisch, Apollo, Filistinos, Tebepna Socrates, Matilda's Kitchen, Gyropolis. Allen beweren de "traditional Greek cuisine" te serveren. De kaart is dan ook eigenlijk overal hetzelfde. Natuurlijk is er het heerlijke Griekse eten, maar ook zijn er altijd gerechten uit de Italiaanse, Franse en Engelse keuken te krijgen, zoals Pizza Hawaï, Varkenshaas met Champignonsaus en Curry Chicken. Frikandellen, kroketten of bamischijven zijn echter nergens te vinden. De Hollandse keuken is hier blijkbaar niet zo populair. Wel een beetje jammer.
In Zante City vond ik trouwens wel een goed aangeschreven Chinees, maar daar wilde Linda ABSOLUUT NIET heen om te eten. Ook weer jammer.

Vorig jaar in Duitsland was het lang niet overal mogelijk om "mit Karte oder Handy" te betalen. Liever had men "Bargeld". Maar in Griekenland zijn ze wat dat betreft wel met de tijd meegegaan. Overal kan je je mobiel tegen het pinapparaat houden en, ka-ching, je hebt betaald. En zo geef je ongemerkt tientallen euro's uit.

Het leven in Zakynthos is eigenlijk heel gemoedelijk. In het plaatsje Argassi, waar wij verbleven, zie je dan ook nooit politie. Restaurants en bars kunnen vaak ook helemaal niet worden afgesloten. Ze trekken een zeiltje naar beneden en dat is het dan. En dat gaat allemaal goed. Alles blijft gewoon staan. Maar er is op Zakynthos ook een plaats vol geweld en verderf. Het Sodom en Gomorra van Zakynthos: Laganas! Laganas zit stampvol Engelsen. Er zijn nachtclubs en goktenten. Als de dames uitgaan, en dan doen ze iedere avond tot diep in de nacht, ziet de een er nog hoeriger uit dan de ander. En bij de mannen is de een nog kleurrijker getatoeëerd dan de ander. En allemaal zijn ze even lelijk. Om 21:00 uur zijn de meesten al stomdronken en om 23:00 uur liggen ze kotsend op de hoeken van straten. De andere dag worden er in alle vroegte op het strand karig gevulde condooms geoogst. Dáár, in Laganas, is wel politie. Dus als je er van houdt, be my guest, maar voor ieder ander zou mijn advies zijn, Laganas te mijden als de pest!
Twee kilometer verderop, merk je daar echter al helemaal niets meer van. Het kleine havenstadje Agios Sostis is vergeleken met Laganas een soort rustoord. Maar het loont wel de moeite om een keer die 2 kilometer naar Laganas te wandelen om het geheel met eigen ogen te aanschouwen.

Terwijl de bosbranden en de hitte in Zuid-Europa ons in het noorden zorgen baart en de discussie over hoe het nu moet met die klimaatmaatregelen ook oplaait, lijkt het hier in Griekenland zelf, waar de bosbranden daadwerkelijk woeden, helemaal geen aanleiding voor discussie. Het is hier wel vaker heet, zeggen ze. Stinkende, oude vrachtauto's met mineraalwater of andere goederen rijden af en aan. Niemand is daar met het klimaat bezig. Ik zag zelfs een benzinepomp met de verbloemende naam EKO. De prijs van benzine is er overigens hetzelfde als bij ons.

De zee. Wat is de zee toch heerlie de  peerlie. De rust die ervan uitgaat is ronduit overweldigend. Tenminste, als je de andere strandgangers uitschakelt, virtueel dan. En dan is er altijd dat eeuwige ruisen der golven. Wat een kabaal is dat zeg! En het houdt maar niet op, het gaat maar door en door en door. Het activeert ook meteen de piep in mijn oren. Gelukkig zijn er altijd wel een paar krijsende kinderen, die dat dan weer overstemmen. En als je dan over dat smerige, bloedhete zand en de stekelige keien de zee hebt bereikt, blijkt het water toch kouder dan verwacht. En zout! De zee is zout. Een spetje in je oog en je hele bol schrijnt weg. Een slokje zeewater in je keel en je staat kokhalzend te watertrappelen. De zee, waar vissen pissen en orka's schijten, waar lichamen van verdronken zeelieden in liggen te rotten en haaien mensen verscheuren. Ja, daar word je weer helemaal zen van: je chakra's liggen weer op een rijtje en je zonnevlecht hangt in het lood.

Vergeleken met andere delen van Zuid-Europa kwamen wij er met een schamele 38°C maar bekaaid vanaf. Maar liggend in de schaduw in de nabijheid van plonswater, met een mild briesje van zee en met personeel dat je drankjes en eten brengt, is het, hoewel enigszins decadent, wel aardig vol te houden.
Over decadent gesproken. We waren een dagje in Zante en daar liggen me toch een paar schuiten in de haven, giga. Er lag er één van wel 60 meter, met minimaal 10 man personeel. Maar ja, dan zit je op het achterdek te lunchen, tussen de jachten waar ook mensen op de achterplecht lunchen, te kijk voor de hele voorbijlopende wereld, alsof je pal voor je tent op de camping zit. Een bootje is leuk , maar alleen als je ermee naar een rustig plekkie vaart om daar in alle rust te vertoeven, maar deze luxe laat ik graag aan mij voorbij gaan.

Overigens waren we in Sodom en Gomorra nog wel getuige van een zeldzaam fenomeen, namelijk De Wraak van God. Toen de bus bij het strand keerde stak er ineens en totaal onverwacht een keiharde wind op. Het zand draaide in een kolom omhoog en werd met grote kracht tegen de ramen van de bus geblazen. Parasols vlogen de lucht in en mensen werden gezandstraald, kinderen liepen huilend door een wolk van zand op zoek naar hun moeder, tafeltjes waaiden om en er brak een soort van paniek uit. Het strandpersoneel probeerde uit alle macht te redden wat er te redden viel. En mensen zochten beschutting in portieken. Het zand waaide als de regen van een stortbui over de straten. En zo plotseling als het kwam, zo plotseling was het ook voorbij. Tafeltjes werden rechtop gezet, parasols terug in de houders geplaatst en kinderen werden door moeders opgetild en getroost. De chauffeur schakelde en gaf gas. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Bizar.

De terugreis naar huis verliep voorspoedig. We waren al vroeg op het vliegveld en de vlucht had ook wat vertraging. 3 uur wachten op een Grieks vliegveld duurt dan toch langer dan in Nederland. Op Schiphol bijvoorbeeld is altijd van alles te zien en te doen. Daar vliegt de tijd. Maar op dit vliegveld kon je koffie kopen en plassen. Beiden heb ik gedaan. De koffie was niet te zuipen en met plassen stond ik bij een verkeerde urinoir. Ik zag nog net op tijd een klein briefje met de tekst "temporarily out of order". Moest ik met het hele zaakje al uit de broek drie urinoirs opschuiven. En na het handen wassen bleek ook de handendroger defect. Ah, daarom lag er een stapeltje papiertjes. Alleen was er geen bak om de papiertjes na gebruik in te werpen. Dus lag de wasbak vol met papier. Tja, ook dat is Griekenland.

Groetjes, Salvatore

28 mei 2023

Cor, de visboer

In mijn jeugd was er iedere zaterdag overal in de stad markt. Of “mert” zoals het bij ons werd genoemd. Overal, behalve in Zuid, waar ik woonde. In Zuid was de mert al op woensdag.
Zuid lag (en ligt nog steeds, logisch) aan de zuidkant van de rivier en hoorde er toen nog eigenlijk niet echt bij. Met een mert op woensdag werd dat nog maar eens benadrukt. Ondertussen is Zuid net zo groot als Noord en telt het als stadsdeel, met een eigen voetbalstadion, een groot overdekt winkelcentrum met een bibliotheek en een gemeenteloket, eigen voetbalclubs, een overdekt zwembad en sportcentrum en zelfs een treinstation, volwaardig mee, maar de mert (die tegenwoordig gewoon “markt” heet) is er nog steeds op woensdag.

De grootste mert op zaterdag was de markt op het Kerkplein. Sinds een paar jaar is die markt verplaatst naar “De Markt”, waar vóór de tweede Wereldoorlog de mert ook altijd werd gehouden, maar in mijn tijd, toen ik kind was, werd de mert gehouden op het nu volgebouwde Kerkplein van De Grote Kerk. En daar, op die mert, hadden alle standhouders decennia lang hun eigen vaste plek. Zo wist iedereen precies waar de bloemen stonden, de kraampjes met gereedschappen, kleding, horlogemakers, poeliers, kaasboeren, groenten en fruit, zaadhandelaren, snoepgoed, noten, kramen met prullaria en natuurlijk meerdere visboeren en twee patatboeren. Er was echter 1 visboer die niet bij de andere visboeren stond. Deze visboer stond aan het eind van een rij groenteboeren tegenover op de andere hoek de patatboer met de lekkerste patat ooit. Er stond daar op die hoek, pal onder De Grote Kerk, altijd wind. Ook al was het in heel het land windstil, daar waaide het. Maar ondanks de wind was het er altijd druk, want daar vond je niet alleen de lekkerste patat, maar ook Cor, de visboer.

Cor, de visboer, was klein en stevig gebouwd, om niet te zeggen propperig. We spraken ook niet van Cor, maar van Currie. Cur was namelijk een vrouw, die toen, achteraf geschat, zo’n jaar of 45 moet zijn geweest en ze stond alleen in haar kraam te bakken. Haar schort was altijd vettig en zat vol vlekken. Bij Cur had je geen ruime keus. Een lekkerbekje, een scholletje, gerookte makreel, haring, gefrituurde sprot en dat was het wel zo'n beetje. Geen rode poon of zalm, zelfs geen kibbeling. En toch was het er altijd druk. Dat kwam, naar mijn mening, vooral omdat ze op een gezellige manier uiterst klantonvriendelijk was. Als je bijvoorbeeld een scholletje bestelde, kon je ongetwijfeld een sarcastische opmerking verwachten.
“Zo, één hele schol. Heb je de loterij gewonnen?”
En bestelde je 10 gebakken scholletjes, dan was de kans groot dat ze je toewierp:
“Heb jij vrienden of zo?”
Alle wachtenden, inclusief de besteller, kregen er een lach van op hun gezicht. Zo was Cur. Bovendien was de vis goed en goed gebakken en niet duur. Dus ja, je haalde een frietje bij de kraam tegenover en het visje bij “Currie”.

Eigenijk was Cor haar tijd ver vooruit. Ze was een alleenstaande vrouw, die zelf de kost verdiende. Ze wilde ook geen visboerin heten. Dat woord deugde volgens haar niet. Zij was een visboer, niet meer en niet minder, en zo werd ze dan ook genoemd, Cor, de visboer.
In tegenstelling tot wat je misschien verwacht, woonde Cor midden in de stad. Op een bovenwoning. Cor was een echte stadse. Ze huurde een garagebox onder haar woning en daar liet ze haar vis bezorgen en bakte ze van donderdag tot en met vrijdag in het voren. Ze maakte er de haring schoon en sneed er de uitjes. En als je haar kende - maar wie kende haar niet - dan kon je daar in die garagebox ook al een visje kopen. Aan huis dus feitelijk. En dat gebeurde ook heel veel. En er was niemand in de hele buurt die klaagde over de frituur- en vislucht. Ze moest immers toch, net als iedereen, voor haar eigen kostje zorgen. “Zaterdag, da’s de enige dag da'k werk,” zei ze zelf, “en daar kan ik goed van komen.”

Het verhaal ging dat Cor van de verkeerde kant was. Lesbisch. Maar dat weerhield niemand ervan om bij haar de vis te kopen.
Toch deed er ook een roddel over haar de ronde. Er werd gefluisterd dat Cor na de markt, met haar verdiende geld, iedere zondag naar Amsterdam ging om “aan haar trekken te komen”. Ik had als kind geen idee wat daarmee werd bedoeld. En als ik er naar vroeg kreeg ik als antwoord: “Dat snap je wel als je groot bent.” Omdat Cor weleens sigaren rookte, stelde ik me voor dat ze naar Amsterdam ging om eens flink te roken. Flink trekjes nemen van veel sigaren om zo “aan haar trekken te komen”. Maar hoe vaak de roddel ook werd verteld, het had geen negatieve invloed op de verkoop. “Mensen zeggen zoveel,” werd er vaak gezegd, "Bovendien, ze mot doen wat ze niet laten ken. Iedereen heb wel wat.”

Cor is ondertussen alweer ruim 20 jaar niet meer onder ons. Ze ging heen, in haar slaap, gewoon in haar bovenwoning. Hoe oud ze precies was, wist niemand, maar ze ontving al een flink aantal jaren AOW, werd gezegd, al bakte ze voor de vaste klanten nog wel regelmatig een visje. Op de markt stond ze niet meer. Je moest de vis bij haar thuis ophalen.

De hele buurt liep uit toen ze werd begraven. Het stond zelfs met een foto van haar in de krant. “Cor, de visboer, begraven." Het artikel eindigde met: "Nooit meer zal er de geur van vers gebakken vis door de straten dwalen."
Maar of het de geur was die werd gemist, waag ik te betwijfelen. Mensen als Cor, die worden wel gemist. Zoals zij zijn er maar weinig meer. Mensen die zichzelf zijn en er nog om worden geaccepteerd ook. Nee, zo tolerant zijn we niet meer, vrees ik. 

Salvatore Cocco

14 maart 2022

Spruithen in Tomatensaus

Wij willen natuurlijk niemand voor het hoofd stoten of belachelijk maken, maar.... Een willekeurige, kleine verzameling ergernisjes.

😒

Sambal bij? Een vraag die je vast weleens hebt moeten beantwoorden. Maar daar maken wij dus geen grapjes over. Dat kan ook niet meer, want bij ons - ik bedoel de lokale afhaalchinees, maar ik weet niet of je dat nog zo mag zeggen - wordt die vraag niet meer gesteld. Terwijl de plastic bakjes vaardig in wit cadeaupapier worden verpakt, vraagt de eigenaresse vriendelijk: "Samballetje?"
Ik kan er niet om lachen.

🍚

Zo'n man als Putin ... of schrijf je Poetin? Who cares? Zo'n man als Silly Putin, zou die 's avonds in zijn bed tevreden en met trots terugkijken op weer een fijne werkdag?

🪆

Nee, dan deze. En let op: het gaat hier om het taalgebruik; ik heb niks tegen vegetarisch of veganistisch eten. De gebruikte taal klopt gewoon niet. Wat dacht je van deze? Vegetarische zalmfilet? Hoe dan? Het woord "filet" betekent immers bot- en graatloos. Maar planten bevatten helemaal geen botten of graten, dus dat hoef je dan ook niet te vermelden. Da's dus een joekel van een pleonasme. Net zo dom als zwarte kraai of witte sneeuw. Dus hoe dom ben je echt als je met zo'n stijlfout je product aanprijst? Bovendien, waarom noem je iets "zalm" als er geen zalm in zit? Er was terecht nogal wat gedoe toen "De Keuringsdienst van Waarde" onthulde dat een supermarkt maisbrood verkocht, waar helemaal geen mais in zat! Het bleek gewoon geel gekleurd witbrood. Schandalig! Maar je mag iets wel zalm noemen, zonder dat er zalm in zit? Sterker, er zit zelfs helemaal niks vissigs in, want het is plantaardig. Bizar!

Trouwens, "plantaardig" is ook al zo'n misleidend woord. Hoezo plant-aardig? Die plant wordt helemaal vermorzeld en gebroken en in stukken gehakt. Grote delen worden als oud vuil weggesmeten, omdat we die niet willen eten. Die komen in het beste geval op de composthoop. Hoe kan je dat "aardig" noemen? Dat is niks niet plant-aardig! Volgens diezelfde redenering zou je echte gehaktballetjes ook "dieraardig" kunnen noemen. Of, met die vegetarische zalm in gedachten, zouden we vleesballetjes ook "dieraardige spruiten" kunnen gaan noemen. Maar moet je eens kijken wat daar, geheel onterecht dus, een commentaar op zou komen. Of anders zetten we er gewoon een extra letter bij, zoals ze dat ook doen bij kipstuckjes en speckjes. Dus Spruithen in Tomatensaus: niet bitter en bevat geen groeten! En nou hoor ik je denken: "Maar die tomatensaus dan? Die is toch van tomaten?" Ja, dat klopt, maar strikt genomen zijn tomaten geen groenten, maar fruit! Dus Spruithen in Tomatensaus: niet bitter en bevat geen groenten!

🍣

Ik wist het niet, maar ik blijk dus niet gewoon "man" te zijn. Altijd heb ik dat op officiële documenten desgevraagd ingevuld, maar dat blijkt nu dus helemaal fout geweest te zijn. Zestig jaar heb ik erover gedaan om te ontdekken dat ik niet gewoon een man ben, maar een cisman. Zelfs mijn automatische spellingscontrole was verrast, want die wilde "cisman" corrigeren naar "vismand". Of weet die spellingschecker misschien meer dan ik en ben ik echt een vismand?

🤷🏻‍♂️

Wat ik ook pas sinds kort weet, is dat ik niet normaal eet. Nee. Ik ben namelijk geen vegetariër of veganist, maar wat ik dan wel ben, daar blijkt geen woord voor. Vleeseter of carnivoor dat dekt de lading niet. Het zou "omnivoor" kunnen zijn, maar ik ben nou niet bepaald een "alleseter". Ik eet alleen zeer bepaalde groenten, fruit, vlees, vis en gevogelte; zeker niet alles! Van zuurkool en week- en schelpdieren moet ik kokhalzen. Avocado en quinoa zijn evenmin aan mij besteed. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Feitelijk komt het erop neer dat er meer is dat ik niet eet, dan dat ik wel eet. Van alles wat je zou kunnen eten, eet ik uiteindelijk maar een heel klein deel. Dus om mij dan "alleseter" te noemen, dat deugt gewoonweg niet.
Nee, dan voel ik me toch meer een flexitariër. Iemand die wel vlees eet, maar toch voornamelijk planten. En kijkend naar mijn bordje eten, klopt dat precies. Ik zie ruim 400 gram plantaardig spul en slechts 100 gram dieraardig lekkers. Bovendien eet ik graag boterhamworst en dat is al flexitarisch van zichzelf. Immers, boterhamworst bestaat maar voor iets meer dan de helft uit vlees. De rest is meel, zout en water. Flexitarisch dus. Belachelijk dat dit product, samen met de frikandel, niet wordt aangeprezen als alternatief voor vlees!

🌭

Op de "elektrische stoel" wil niemand zitten, maar we worden zo langzamerhand wel en steeds dwingender in de "elektrische auto" gedwongen.
Nu is daar, behalve de belachelijk hoge prijs, op zich niets tegen, maar het elektrisch rijden ontneemt mij wel een stuk rijgenot. Ik heb met veel tijd, geld en inzet het vlekkeloos schakelen onder de knie gekregen, pakken ze het me af! Terwijl juist het precies op het juiste moment op- en afschakelen zo'n heerlijke uitdaging is tijdens het transport. En ik ben er goed in. Heerlijk! De bus, tram, trein en taxi vind ik juist daarom ook niet prettig. Je hoeft er niet te schakelen. Ik vraag me af, is er dan geen enkele knappe kop die in staat is een elektrische auto met versnelling te ontwerpen, zodat ik met mijn linker voet kan blijven koppelen en met mijn rechter hand de pook kan blijven bedienen? En het is ook goed voor de volksgezondheid! Hoe moet ik anders aan voldoende beweging komen? Van enkel plantaardige pilsjes hijsen?

🚙

Soms weet ik niet meer wat ik nog mag doen of zeggen? Mag je voor iemand nog een deur open houden? Ik hield de deur open voor iemand in een rolstoel, die me vervolgens toebeet: "Ik ben niet zielig, gek!" En er was een vrouw die me aankeek alsof ik haar een oneerbaar voorstel deed. Ze keek nog een paar keer achterom, mogelijk bang dat ik haar zou volgen en tussen de kledingrekken zou aanranden. En ik ben ineens ook niet meer blank, maar wit. En eerlijk gezegd, klopt dat wel veel beter. Ik ben namelijk nooit blank geweest, maar wel wit met donkere strepen onder de ogen. Dus dat is er wel op vooruit gegaan. En wat te vinden van dat je geen "jongens en meisjes" of "dames en heren" meer zegt, maar dat je een groep altijd aanspreekt met "beste reizigers", zoals de NS ook doet? Bij de NS zijn het natuurlijk ook echt reizigers, die ze vervolgens nog altijd onverstaanbaar toespreken. Maar zijn we eigenlijk niet allemaal reizigers, welke kleur, welk gender, welke seksuele voorkeur ook? Vanaf de conceptie zijn we allen op weg naar de dood. Niets is zo zeker als de dood. De dood was, is en blijft. De dood stelt nooit teleur; niemand wordt overgeslagen. Alleen komt ie soms wel veel te vroeg. En soms ook veel te laat. Dat dan weer wel. Maar we zijn allemaal op weg naar de dood, dus toch "beste reizigers" dan maar? Nou, ik ga dat echt niet zeggen hoor! Ik heb immers een hekel aan reizen. Dat weten jullie toch wel?

🚞

Moet ik nog wat zeggen over Thierry Baudet of maakt wat hijzelf allemaal blaat wel genoeg duidelijk? Oké, dan ben ik klaar. Voor nu.

🐑

Groetjes, Salvatore

30 december 2021

De man in de auto

De poedersuiker bleek op. En aangezien dat een onmisbaar ingrediënt is bij het eten der oliebollen én ik nog een wandeling tegoed had, liep ik naar de supermarkt om een volle strooibus te halen. De route voerde mij langs de school. Die lag er vanwege de kerstvakantie troosteloos en verlaten bij. Op de parkeerplaats stond één auto. Waarschijnlijk iemand die elders in de wijk op bezoek was. Het gebeurde wel vaker dat mensen daar hun auto parkeerden. Niks mis mee. Zoals gezegd, het was kerstvakantie, dus je stond daar nu echt niemand in de weg. Wel vond ik het vreemd dat de auto dwars op de parkeerplaats stond, met draaiende motor. Maar misschien moest iemand even snel veilig bellen, sms'en of appen. Dan is het alleen maar verstandig dat je met je auto aan kant gaat staan. En ja, dat je dan even dwars op de vakken geparkeerd stond, ach, dat maakte nu toch niet uit. Zoals gezegd, de parkeerplaats was verder leeg en het was kerstvakantie. Dan kan het wel even. Toch? Dus schonk ik er verder geen aandacht aan en liep door. Nee, het was pas toen ik er een 20 minuten later, met volle strooibus op weg naar huis, weer langsliep en de auto er nog steeds stond, met draaiende motor, dat ik dacht: "Hè?"

Het was heiig weer en begon ondertussen al donker te worden. Waarom stond de auto daar nu nog, scheef en al ruim 20 minuten lang met draaiende motor? Was die de hele wereld aan het appen of was er meer aan de hand? Zat er eigenlijk wel iemand in? Ik maakte een bocht om dichter langs de auto te kunnen lopen en stiekem een blik naar binnen te werpen. Er zat wel iemand in. Een man zo te zien. Hij zat voorovergebogen op de bestuurdersstoel. Ik vertraagde mijn pas. Hij bewoog niet. Was hij in elkaar gezakt? Was hij niet goed geworden en stond ie daarom zo scheef op de parkeerplaats? Moest ik doorlopen of ... was het toch beter om even een kijkje te gaan nemen?

Hoe dichter ik bij de auto kwam, hoe harder mijn hart begon te bonzen. Hier was duidelijk iets niet in de haak. De man zat bewegingsloos en met gebogen hoofd in de auto. Zelfs toen ik naast de auto stond, kwam er geen reactie. Ik tikte op het raampje.
"Godver!" riep de man in de auto en schrok op en ik schrok weer van deze onverwachte reactie en deed een pas achteruit.
"Jezus, wat doe jij dan?" beet de man mij toe terwijl hij het raampje opende.
"Ik, ik dacht...."
Verder kwam ik niet, want de man had zijn vraag blijkbaar retorisch bedoeld.
"Je bent verdomme de tweede al. Wat is dit voor een kut buurt met al die bemoeials!"
Die reactie ergerde mij toch wel enigszins. Ja kom op zeg! Mijn actie was immers goed bedoeld.
"Even rustig jij," zei ik verongelijkt. "Ik dacht dat je niet goed geworden was of zo. Met die draaiende motor en zo. Ik kwam alleen even kijken of er iet mis was, of ik kon helpen."
"Jezus, ja, sorry, maar ik schrok me kapot!"
"Ja, ik ook," zei ik met een zuur glimlachje.
"Nee, er is niks aan de hand. Of, nou ja.... Ik ben effe een testje aan het doen," zei de man en wees naar iets tussen zijn benen.
Ik deed weer een stap naar voren en keek in de auto. Daar lag op zijn schoot het stripje van een Corona zelftest.
"Nog vijf minuten en dan ben ik weg hoor," zei de man.
"Al sta je hier de hele avond nog, dat maakt me niks uit. Ik dacht gewoon dat er misschien iets mis was. Da's alles."
"Nou, der is niks mis, zullen we maar zeggen. En zo te zien heb ik ook geen Corona."
Wat er ook allemaal door mijn hoofd was gegaan, niet dat de man in de auto een zelftest aan het doen was, dus ik zei luchtig: "Wat ik ook had verwacht, niet dat je een zelftest aan het doen was."
"Moet ik toch weten," zei de man nors. "Ik heb daar zo mijn redenen voor. En dat gaat je verder ook niks aan. Die vent van net had ook al wat te mekkeren. Toen die op het raam bonsde, flikkerde dat hele coronabuisje uit me klauwen. Jezus! Kon ik weer een nieuwe pakken en opnieuw beginnen. Anders was ik al lang weggeweest. Dus aan mij ligt het niet."
"Ja, sorry, maar het is goed bedoeld. Je kon wel een beroerte hebben gehad?"
"Een rolberoerte van de schrik ja, van hem, dat kreeg ik. Ja ga nou maar, het is al goed en ik ben zo weg."
"Nogmaals, van mij hoef je niet weg. Maar goed, succes verder," zei ik vlak en wilde me omdraaien om weg te lopen, toen ik de man nog iets hoorde mompelen.
"Wat zei je?"
"Niks. Of nou ja, ik zei dat het geen succes zal worden," zei hij luid zuchtend.
"Ja, ik ben net bij me moeder geweest. Het vrouwtje heeft Corona en ligt thuis aan het zuurstof. Met thuiszorg erbij en de hele flikkerse boel. Het gaat niet zo goed, zeggen ze. Ze is 87, maar toch wil je der niet kwijt. Daarom doe ik dus hier even een testje, voor ik naar huis ga. En zo te zien voor niks, want ik ben nog steeds negatief. Weer voor niks zo'n test verbruikt. Twee zelfs dus. Het kost me handen vol met klauwen, die hele Corona."
Ik zei maar niet dat het zinloos was om meteen na een contact al een test te doen.
"Kijk, wat ik niet snap, is dat als de niet essentiële winkels dicht moeten, de slijterijen wel open mogen, maar mijn sigarenzaak niet. Ik raak zo al mijn klanten kwijt, want die kopen hun rookwaren nu bij de benzinepomp of bij de supermarkt. Weg klanten. Maar daar staan ze in Den Haag niet bij stil. En die compensatie, daarvan kom ik niet uit de kosten. Dus ik wou maar dat ik ziek werd, want daar ben ik voor verzekerd. Maar nee, als je netjes werkt, laten ze je gewoon naar de klote gaan. Kutland!"
Hij sprak het zo hartgrondig uit, dat ik er van schrok.
"Ja, het is allemaal wel een beetje dubbel," zei ik maar.
"Dubbel? Dubbel? Het klopt voor geen meter! Maar goed, zit ik hier een beetje te lullen tegen een wild vreemde. Die Corona maakt een mens gek! Echt. Kijk nou eens naar al die stumpers die zo nodig naar de wintersport moeten. 'Want ze hebben zo'n zwaar leven.' Man, wij gaan nooit op vakantie! Wij moeten werken in de zaak om het hoofd boven water te houden. En dan komen zij straks besmet terug van die 'broodnodige' voorjaarsvakantie en dan kan de hele boel wéér in lockdown. Maar kom niet aan hun 'welverdiende recht' op wintersport. Stelletje egoïtische treurneuzen!"
"Tja," zei ik en maakte aanstalten om te vertrekken.
"Net als die wappies die zich niet laten inenten. Ja, dat is toch zo. Wat zijn dat voor gestoorde gekken? Ja, je mag zelf beslissen, ja, maar neem dan wel de verstandige beslissing. Nu zit de rest van Nederland met hun ellende opgescheept. Hup, weer een lockdown. Idioten! Ik ben het langzamerhand zo beu dat in Nederland iedereen maar mag doen wat ie wil. Ik zeg, geen spuit, geen ziekenhuisbed. Want de mensen die zich wél altijd netjes gedragen, die draaien altijd maar weer op voor de problemen die door de sufferds worden veroorzaakt. Ja, is toch zo? Net als die doe-het-zelvers die eerst de hele hut afbreken, maar geen idee hebben hoe ze het moeten opbouwen. Ken je dat programma? En hup, daar komt de reddende engel John Williams alweer aan. Die kan zelf trouwens nog geen spijker recht in de muur slaan, maar goed, die heb wel een hele club beroepsklussers bij zich. Hup en weer worden de sukkels geholpen. Maar ik breek met twee linker handen niet mijn hele hut af. Ben me daar gek. Ik moet namelijk gewoon zelf duur betalen voor zo'n klusjesman. Mij komt niemand helpen."
Hij schudde meewarig zijn hoofd.
"Of wat dacht je van die lui die overal schijt aan hebben en zich willens en wetens in de schulden steken. Die zogenaamd niet snappen hoe ze de tering naar de nering moeten zetten. Hoe moeilijk kan het zijn? Als je een euro hebt, kan je er geen twee uitgeven toch? Dat snapt een kind nog wel. Maar zij dus zogenaamd niet. Die worden toch weer aan alle kanten geholpen. Beetje zielig lopen doen, want ze hadden zo'n moeilijke jeugd, en hup, de schulden worden kwijtgescholden. Maar bij mij gaat de huur van het winkelpand gewoon door hoor. En er komt door die lockdown geen stuiver binnen. En dat alleen maar omdat er zoveel idioten rondlopen die zich niet willen laten prikken. Ja, zeggen ze dan, 'ik maak gebruik van mijn recht.' Dat kan wel zo zijn, maar door hun 'recht' heb ik nu geen inkomen. Nou ik vind dat geen recht, ik vind dat krom!"
"Ik eh, moet maar weer eens naar op huis aan," zei ik snel, voordat ie weer ergens over ging beginnen.
"Ja, ik ook," zuchtte de man. "Ik sta hier al veel te lang mijn kostbare benzine te verstoken. Had dat ding ook uit moeten zetten, maar ja, ik dacht even snel een testje doen. Komen jij en die andere koekoek koekeloeren. Nou ja, wel goed eigenlijk, dat je een beetje oplet."
Hij keek me glimlachend aan.
"Tja, dan ga ik maar eens," zei ik, "en eh, sterkte met alles."
"Ja, dank je. Jij ook, want zo te zien heb je het ook niet makkelijk. Anders loop je hier niet rond met een bus poedersuiker onder je arm."
Ik heb maar een beetje geknikt en ben afgedropen. Ik hoorde hoe hij achter mij de auto draaide. En toen hij me voorbij reed, toeterde hij nog en stak zijn hand op, zoals een oude bekende zou doen.


01 oktober 2021

Het Eiland - Texel 2 van 2

Je schrijft Texel, maar zo spreek je het niet uit. Nee, je zegt Tessel, terwijl er toch echt Teksel staat. Apart hè? En weet je wat nog aparter is, dat Teksel in veel opzichten enorm lijkt op Curaçao. Jawel! De eilandbewoners zijn op Teksel wel een stuk bleker dan die op Curaçao, maar verder zijn er toch opvallend veel overeenkomsten. Net als op Curaçao waait het er altijd en hebben ze er prachtige witte stranden. En, niet te vergeten, je struikelt er over de Nederlandse toeristen. Bovendien, ook op Teksel gaat de bewegwijzering je niet helpen het beoogde reisdoel te bereiken. Hierover later meer.

Natuurlijk zijn er ook verschillen. Zo voelt de wind op Curaçao aan als de wind die uit je föhn komt, terwijl op Teksel de wind rechtstreeks van de Noordpool lijkt te komen.
Een ander verschil is het aantal palmbomen. Op Teksel zie je die bijzonder weinig. Maar eigenlijk is dit ook een overeenkomst, want van nature komen er op Curaçao helemaal geen palmbomen voor. Die zijn daar allemaal aangeplant. Voor de toeristen. Maar toch, plant je een stel palmbomen op het strand van Teksel, dan zijn ze een jaar later gegarandeerd dood (of meegenomen door een jutter, dat kan natuurlijk ook).

Een ander verschil is dat snorkelen in de Noord- en de Waddenzee niet echt een optie is. Nee, want als het zeewater je om de enkels staat, kan je je tenen al niet meer zien. Maar op Curaçao kan je onder water kilometers ver kijken en zie de prachtigste vissen en planten, tot waterschildpadden aan toe. Dus voor die vrolijke schelpdieren hoef je echt niet helemaal naar Zakynthos. Nee hoor, gewoon bij ons op Curaçao.

Oh, en schapen natuurlijk. Dat is ook een verschil. Op Curaçao is het uiteraard veel te warm voor dieren met zulke dikke jassen, maar op Teksel is een wollen trui geen overbodige luxe. Er zijn dus heel veel schapen. Ik weet niet precies hoeveel schapen er zijn, want iedere keer als ik ze aan het tellen was, viel ik in slaap. Ik hou het daarom maar op "heel veel". Dat de Tekselaren er trots op zijn, zie je wel aan de allerhande prullaria met schaapjes erop. Tassen, sloffen, mokken, knuffels, dingen waarvan ik niet zo gauw kon thuisbrengen wat het was, chocolaatjes, kaas, enz. Te veel om op te noemen, dus ik begrijp zelf niet waarom ik er toch aan begon, maar goed.

Ondanks dat het eiland het vooral moeten hebben van het toerisme (en aangespoelde rotzooi, maar hierover later meer) viel het mij op dat de prijzen in de horeca er alleszins redelijk zijn. Een terrasje pikken in Amsterdam is daarmee vergeleken een luxe die slechts voor weinigen is weggelegd. (En let op: met terrasje pikken, bedoel ik er rustig gaan zitten en wat nuttigen. Niet dat je je snel met een tafeltje en wat stoelen onder je arm uit de voeten maakt. Ik zeg het er maar even bij.)

Op Teksel gaat men er prat op dat ze de meeste zonuren van Nederland hebben. Ja, dat zal wel, maar tijdens ons verblijf op Teksel bleek daar weinig van. Op Buienradar stonden overal in Nederland hele en halve zonnetjes, behalve op Teksel. De zon ging de hele week verscholen achter een dikke laag, veelal donkere wolken.
"Wat zullen we vandaag eens doen?" vroeg mijn vaste reisgenote. "De zon gaat in de loop van de dag schijnen, dus misschien kunnen we naar Oudeschild, pakken we daar een terrasje of zo, of we gaan even naar het strand."
"Gaat de zon schijnen?" vroeg ik ongelovig.
"Ja, in de loop van de dag, zeggen ze."
"Ja op Kos zeker?"
"Niet zo flauw doen nou!"
"Ja, ik geloof het gewoon niet. Ze zeggen al dagen dat de zon gaat schijnen, maar hier op Teksel moet je gewoon overdag je lampen aan."
"Wat wil jij dan?"
"Nou, ik ben wel even klaar met al dat gewandeld in bos en duinen, dus ik dacht, misschien kunnen we naar Oudeschild, pakken we daar een terrasje of zo, of we gaan even naar het strand."
"Ouwe zemelaar," lachte ze.
Zo gezegd, zo gedaan. Na het ontbijt trok ik een dikke trui aan voor onder mijn regenjas en zette voor de zekerheid een zuidwester op. We gingen op pad.

Op Teksel heb je wel een "International Airport", maar geen snelwegen. Je rijdt er rustig (want het is vakantie) over B-wegen en landweggetjes en volgt de ANWB-borden. Totdat....
"Er zitten helemaal geen borden in die paal," zei mijn vaste reisnavigator verontwaardigd.
En inderdaad. Er stond op de rotonde een goed zichtbare ANWB-paal, met uitsteeksel waar borden in horen, alleen die zaten er niet in. Lege lijsten. Je keek er dwars doorheen. Nul informatie!
"Dan rijden we gewoon rechtdoor," zei ik.
"Nou, ik denk dat we ondertussen linksaf moeten."
"Ja, dat kan ook." En hup, we zaten al op de linksafweg.
"Ja, maar ik weet het niet zeker."
"Dan zet ik toch Tommy maar aan. Sjonge. Ik dacht, een net eiland, keurig borden als je het festivalterrein afrijdt, Oudeschild 15 km, hup, die kant op, maar nee hoor. Ben je even verderop, zijn de ANWB-borden weggejutterd."
"Ja, let jij nou maar op de weg, ik stel die TomTom wel in."
Terwijl Linda aan Tommy begon te frunniken, zeurde ik nog even door.
"Net als gisteren, met die wandelroute in de duinen. Waren ineens de bordjes van de rode route op. Ik denk niet dat het bedoeling was dat wij dwars door die duincamping moesten marcheren. Wat een droevenis trouwens, zo'n duincamping. Sta je daar met je tentje in zo'n duinpan. Je ziet niks, want ja, de duinen belemmeren elk zicht. En als de zon schijnt brand je er weg, want ja, geen bomen. En het waait er net zo hard als op het strand! Al kreeg ik geld toe, dan ging ik daar nog niet naartoe. En al helemaal niet als ze je er ook nog proberen te bekeren. Je zag het toch wel, die Duitse bekeercamper? Met grote letters stond erop: "Jesus liebt dich." Maar blijkbaar alleen op zondag, want alleen dan kon je er terecht."
"Hij doet raar," zei Linda.
"Ja, da's zeker raar."
"Nee, de TomTom doet raar."    
Ook Tommy bleek moeite te hebben hier de weg te vinden. Hij vroeg ons of we veerdiensten en onverharde wegen wilden vermijden. Dat deed ie anders nooit.
"Klik maar op OK, zei ik. "Lijkt me een beetje onzinnig om eerst met het veer terug naar Den Helder te varen om vervolgens met de boot terug te gaan naar Teksel en dan onze weg naar Oudeschild te vervolgen. Ja toch? En om met de auto door zo'n duinpan te karren, lijkt me ook niet wat."
Tommy leek het door te hebben. Na het checken van 6.738 wegen had hij een route gevonden. En gelukkig, in no time waren we in Oudeschild. We parkeerden de auto en liepen het dorp in.

Oudeschild is een leuk dorpje. Klein, dat wel. Je bent er snel uitgekuierd. Maar de haven is echt leuk en gezellig. En groter dan het dorp zelf. Leuke winkeltjes en restaurantjes én de lekkerste kibbeling van het hele eiland bij Victoria op Haven 9a. Je kon er boten boeken om zeehonden te spotten, maar dat hebben wij niet gedaan. Want voor de oplettende kijker, zwommen die gewoon daar in de haven. En wij zijn zulke oplettende kijkers. Heel bijzonder.

En toen gebeurde het. De zon begon te schijnen! Halleluja! De zuidwester kon af. Vestje was nog wel nodig, maar je kon de armen weer normaal buigen. Ja, en als de zon schijnt én er is veel strand in de buurt, dan wil je wel effe naar het strand natuurlijk, vond Linda.
Op Teksel hebben ze heel veel strand, want ja, het is een eiland. Duh. En om dat lange strand toch enigszins in te delen, hebben ze blijkbaar genummerde palen op het strand gezet. Aan de zogenaamde Noord Kaap, bij Paal 17 en Paal 21, waren, zo had Linda gelezen, leuke strandtenten. Dus hup, Tommy weer aangeslingerd en daar gingen we. We passeerden onderweg nog een aantal ANWB-palen met lege lijsten, maar Tommy wist de weg.
Aangekomen bij Paal 17 bleek dat meer mensen hetzelfde idee hadden. Er stond een lange rij voor de strandtent te wachten op toegang. Nou, daar hadden wij geen zin in. Dus terug de auto in, naar Paal 21. Precies hetzelfde tafereel. Een lange rij.
"Dan zoeken we het een flink eind verderop," zei ik. "Paal 33!" Maar ook daar een lange rijd wachtenden.
"We gaan gewoon terug naar De Koog," zei Linda en zo geschiedde.

De Koog was het plaatsje dat nog geen 10 minuten van ons luxe en blinkend schone chalet lag. Thuis, dus eigenlijk. Maar vergis you not. De Koog is een heel gezellig plaatsje, met veel leuke eetgelegenheden en cafés, een uitstekende Italiaan (en dan bedoel ik niet mijzelf natuurlijk maar het restaurant) en the only Greek on the island. Wij landden op het gezellige dorpspleintje op het terras, in de zon, met een heerlijk biertje en een warme borrelhap. Wat zaten we daar heerlijk! Aan de andere kant van het pleintje trok een straatartiest op Spaanse wijze aan de snaren van zijn instrument. Ver genoeg weg om niet te storen, maar het gaf dat oerhollandse pleintje, samen met de warme zon (het vest kon uit) een mediterane uitstraling. Dit is vakantie! Iedereen fleurde op. Het tweede biertje kwam. Mensen lachten, liepen ineens rond in korte broeken en op slippers. Het was er heerlijk. Echt genieten!

Twee uur later verdreven dikke wolken de zonnige sfeer. We keerden terug naar ons chalet om ons op te maken voor het diner. We hadden gereserveerd bij Paal 19. Toen wij daar aankwamen stond ook daar een lange rij voor de deur. Maar ja, wij hadden gereserveerd, haha. Dus konden wij langs de rij, zo naar binnen. En voordat je denkt, dat zal wel fout lopen, nee, dat liep niet fout! Dat liep prima! Wij liepen langs de rij, maakten van binnen een lange neus naar de wachtenden en namen plaats aan een tafeltje bij het raam. Binnen, niet buiten, want het waaide ondertussen alweer zo hard, dat er buiten al geen soep meer kon worden geserveerd. Die waaide je zo uit de kom.

We hebben er heerlijk gezeten en gegeten, zoals we eigenlijk de hele week heerlijk en gezellig in De Koog bij verschillende restaurantjes hebben gegeten. Wat dat betreft was het een prima vakantie. We hebben leuk gewandeld en de vuurtoren beklommen. Het was alleen jammer dat Teksel de meeste zonuren al had opgebruikt vóórdat wij kwamen.

Op de laatste dag bezochten we Flora. Da's niet me schoonzus, maar het Juttersmuseum. Dat was echt verrassend leuk! Ook voor kinderen. Het is nu niet direct naast de deur, maar als je ooit op Teksel bent, en je hebt toevallig kinderen achterin de auto zitten, rij dan ook even met ze langs Flora. Een museum met een hele prettige en gemoedelijke sfeer, met activiteiten binnen en buiten en en en en ... ja, gewoon leuk en fijn en gezellig en interessant. Super!
Toen nog even naar Den Burg. Daar ploften we bij een heel gezellig café op het terras. Ook weer hele leuke, vriendelijke bediening en een lekker hapje en drankje. Verder was ik niet zo onder de indruk van Den Burg. De Koog vond ik leuker. Maar goed, iedere z'n smaak.
Toen we aankwamen bij de boot konden we zo doorrijden en ik had de auto nog niet geparkeerd of we voeren al het zeegat uit. In minder dan een half uur reden we het vaste land op. Ik zwaaide nog even naar het gebouw van de Commandant Zeemacht waar ik mijn dienstplicht had doorgebracht. Daar keek ik vanuit mijn kamer uit op de veerboot naar Teksel. Dat het dan nog veertig jaar zou duren eer ik er zelf mee naar Teksel zou varen, had ik toen niet kunnen vermoeden.

Onderweg naar huis begon de zon te schijnen.